ECLI:NL:CRVB:2012:BW0484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6385 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 21a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering teveel betaalde WIA-uitkering door UWV

Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van een teveel betaalde WIA-uitkering door het UWV over de periode van 8 maart 2006 tot 1 mei 2010. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV conform artikel 77, eerste lid, Wet WIA verplicht is om teveel betaalde uitkeringen terug te vorderen.

Appellant voerde aan dat hij pas op 20 januari 2010 op de hoogte was van het WAO-vervolgdagloon en dat de terugvordering daarom lager had moeten uitvallen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft gehandeld en dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk was dat hij per 20 april 2009 teveel ontving.

Ondanks de moeizame communicatie en de rommelige besluitvorming door het UWV, zijn er geen dringende redenen om af te wijken van de terugvordering. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de teveel betaalde WIA-uitkering door het UWV.

Uitspraak

11/6385 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 september 2011, 11/203
(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.C. Neering hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Neering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van
15 december 2010 ongegrond verklaard. In dit besluit heeft het Uwv het besluit van 4 mei 2010 gehandhaafd waarin is meegedeeld dat aan appellant over de periode 8 maart 2006 tot 1 mei 2010 een WAO-uitkering betaalbaar wordt gesteld en dat deze uitkering verrekend zal worden met de in deze periode verleende ZW- en WIA-uitkeringen.
Het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2010 is in het bestreden besluit gegrond verklaard, in die zin dat de terugvordering van de teveel betaalde uitkeringen wordt beperkt tot het moment dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel aan uitkering ontving. Dit moment is 20 april 2009, de datum dat er een WW-uitkering werd toegekend. Er resteert een vordering van € 15.901,04 in plaats van € 16.732,86.
Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA, het Uwv verplicht al hetgeen aan appellant te veel is betaald van hem terug te vorderen en dat van dringende reden niet is gebleken.
2. Appellant kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank. De besluitvorming van het Uwv was zeer rommelig en de communicatie met het Uwv verliep zeer moeizaam. Omdat appellant redelijkerwijs niet eerder dan 20 januari 2010 op de hoogte was van het WAO-vervolgdagloon stelt hij zich in hoger beroep op het standpunt dat het Uwv bij de berekening van het terug te betalen bedrag, had moeten uitgaan van het WAO-dagloon in plaats van het per 20 september 2007 geldende WAO-vervolgdagloon. Hij stelt zich derhalve op het standpunt dat de vordering moet worden verlaagd met een bedrag van
€ 1.381,71 bruto.
3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Het Uwv is op grond van artikel 77 van Pro de Wet WIA verplicht onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen.
Het kon appellant redelijkerwijs duidelijk zijn dat hij per 20 april 2009 teveel aan uitkering ontving.
3.2. Ondanks dat de besluitvorming van het Uwv verwarring heeft veroorzaakt bij appellant, kan het hoger beroep van appellant niet slagen. Bij besluit van 5 april 2005 is aan appellant per 20 september 2004 een WAO-uitkering toegekend. In dat besluit is vermeld dat de uitkering voor de duur van drie jaar bestaat uit een loondervingsuitkering, gevolgd door een vervolguitkering. Het bezwaar van de werkgever tegen dit besluit is gegrond verklaard. In opdracht van de rechtbank heeft het Uwv op 14 maart 2007 een nieuw besluit genomen waarin het besluit van 5 april 2005 is gehandhaafd.
Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij onveranderd in aanmerking komt voor een WAO-uitkering en deze uitkering per
20 september 2007 wordt voortgezet als een vervolguitkering. De duur van de loondervingsuitkering is geregeld in artikel 21a van de WAO, is nooit onderwerp van geschil geweest en is aan appellant bekend gemaakt zodat deze hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn. Er zijn geen gronden naar voren gebracht die aanleiding kunnen geven om af te wijken van deze bij wet geregelde duur.
3.3. Van dringende redenen is niet gebleken. Deze kunnen alleen zijn gelegen in de gevolgen die de terugvordering heeft voor een verzekerde.
3.4. Uit hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) G.J. van Gendt.
KR