ECLI:NL:CRVB:2012:BW1007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van lagere mate van arbeidsongeschiktheid en loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100% en zij recht zou hebben op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV stelde bij bezwaar de mate van arbeidsongeschiktheid bij op 35 tot 45%, omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies ondanks haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV vrij stond de mate van arbeidsongeschiktheid naar beneden bij te stellen, zonder dat sprake was van een verboden reformatio in peius, aangezien de loongerelateerde WGA-uitkering niet was gewijzigd. De medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd als zorgvuldig beoordeeld.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, verwijzend naar medische rapporten die volgens haar de beperkingen onderschatten. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de medische rapporten van appellante geen objectieve gegevens bevatten die tot een andere conclusie leiden.
De Raad onderschreef de arbeidskundige beoordeling dat appellante geschikt is voor de geduide functies en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% wordt bevestigd.