ECLI:NL:CRVB:2012:BW1007

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6322 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van lagere mate van arbeidsongeschiktheid en loongerelateerde WGA-uitkering

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 80 tot 100% en zij recht zou hebben op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV stelde bij bezwaar de mate van arbeidsongeschiktheid bij op 35 tot 45%, omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies ondanks haar beperkingen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV vrij stond de mate van arbeidsongeschiktheid naar beneden bij te stellen, zonder dat sprake was van een verboden reformatio in peius, aangezien de loongerelateerde WGA-uitkering niet was gewijzigd. De medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd als zorgvuldig beoordeeld.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, verwijzend naar medische rapporten die volgens haar de beperkingen onderschatten. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de medische rapporten van appellante geen objectieve gegevens bevatten die tot een andere conclusie leiden.

De Raad onderschreef de arbeidskundige beoordeling dat appellante geschikt is voor de geduide functies en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6322 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 september 2011, 10/3107 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.C.M. van den Hoek beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Hoek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 25 januari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 1 januari 2010 op grond van de Wet Werk en Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat zij meent dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 11 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Dit bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante met ingang van 1 januari 2010 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld op 35 tot 45%.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2. In verband met hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het het Uwv vrij stond bij zijn beslissing op bezwaar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante alsnog naar beneden bij te stellen. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op grond van zijn bevindingen tot lichtere beperkingen dan de verzekeringsarts eerder deed. Hierdoor resulteerde de beoordeling in bezwaar, na een aanvullend arbeidskundig onderzoek, in een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de rechtbank is van een - verboden - “reformatio in peius” geen sprake, aangezien de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante niet is veranderd.
2.3. De rechtbank heeft vervolgens de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat uit het door appellante in beroep overgelegde concept-rapport van de neuroloog H.J.J.A. Bernsen van 8 november 2010 geen nieuwe (neurologische) bevindingen naar voren komen. Ook in het overgelegde neuropsychologisch rapport vindt de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de - psychische - beperkingen van appellante zijn onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank moet appellante met de voormelde medische beperkingen in staat worden geacht werkzaamheden als bode/bezorger, gereedschapmaker en als boekhouder/loonadministrateur te verrichten en heeft het Uwv de geschiktheid van de functies voldoende toegelicht.
3. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Zij is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met haar beperkingen en dat zij daarom niet geschikt kan worden geacht om de geduide functies te vervullen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante desgevraagd ter zitting opnieuw verwezen naar de rapportage van de neuroloog Bernsen en naar de op schrift gestelde ervaringen van de revalidatiearts G. Kramer.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank dat en waarom in het onderhavige geval geen sprake is van een verboden “reformatio in peius”.
Wanneer appellante het met een toekomstig besluit over het recht op WIA-uitkering niet eens is, staat het haar vrij de medische en arbeidskundige grondslag van dat besluit aan te vechten.
4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest. De bezwaarverzekeringsartsen hebben in voldoende mate gemotiveerd waarom er geen duidelijke beperkingen in het cognitief functioneren van appellante zijn vast te stellen. De door appellante ingebrachte rapportage van de neuroloog Bernsen van 8 november 2010 kan niet tot een andere conclusie leiden, aangezien deze arts de door hem genoemde beperkingen niet baseert op objectieve medische gegevens. Voorts hebben de bezwaarverzekeringsartsen voldoende onderbouwd waarom er evenmin sprake is van eenduidig te objectiveren fysieke belemmeringen.
4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting volstaat de Raad met te verwijzen naar de overweging in de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank oordeelt dat de functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De Raad maakt deze overweging tot de zijne.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.
(get.) J.P.M. Zeijen.
(get.) N.S.A. El Hana.
JL