ECLI:NL:CRVB:2012:BW1764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten, die eerder gehuwd waren en samen kinderen hebben, ontvingen bijstand op basis van een alleenstaande norm. Het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 24 oktober 2006 een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres, hetgeen niet was gemeld. Het onderzoek bestond uit verklaringen van omwonenden, gegevens over gas-, licht- en waterverbruik en observaties. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat huisbezoeken onrechtmatig waren vanwege gebrek aan informed consent. De Raad oordeelde dat de vaststelling niet gebaseerd was op huisbezoeken, waardoor dit betoog niet relevant was. Gelet op het feit dat appellanten gehuwd zijn geweest en samen kinderen hebben, is het enkel van belang of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
De Raad concludeerde dat ondanks afzonderlijke registratie op adressen, de feiten en onderzoeksgegevens aannemelijk maken dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante had daarom geen recht op bijstand volgens de norm voor alleenstaanden en had haar inlichtingenplicht geschonden. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.