ECLI:NL:CRVB:2012:BW2235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering toeslag op WAO-uitkering wegens onrechtmatigheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de toeslag op haar WAO-uitkering met ingang van 5 oktober 2004 te beëindigen en de ten onrechte ontvangen toeslag van €18.590,78 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat appellante had kunnen weten dat zij geen recht meer had op toeslag, mede omdat haar partner vanaf die datum inkomsten ontving.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist dat zij toeslag ontving en dat financiële problemen terugbetaling onmogelijk maken. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Toeslagenwet de toeslag moet worden herzien of ingetrokken indien deze ten onrechte is verleend. De Raad zag geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellante geen aannemelijke gegevens over onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen had ingebracht.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellante had kunnen en moeten weten dat zij geen recht meer had op toeslag vanaf het moment dat haar partner inkomsten ontving. Het UWV was dan ook verplicht de toeslag met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De toeslag is terecht beëindigd en het onverschuldigd ontvangen bedrag van €18.590,78 wordt teruggevorderd.