ECLI:NL:CRVB:2012:BW2235

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6272 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a TWArt. 20 TW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging en terugvordering toeslag op WAO-uitkering wegens onrechtmatigheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de toeslag op haar WAO-uitkering met ingang van 5 oktober 2004 te beëindigen en de ten onrechte ontvangen toeslag van €18.590,78 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat appellante had kunnen weten dat zij geen recht meer had op toeslag, mede omdat haar partner vanaf die datum inkomsten ontving.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet wist dat zij toeslag ontving en dat financiële problemen terugbetaling onmogelijk maken. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Toeslagenwet de toeslag moet worden herzien of ingetrokken indien deze ten onrechte is verleend. De Raad zag geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, aangezien appellante geen aannemelijke gegevens over onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen had ingebracht.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellante had kunnen en moeten weten dat zij geen recht meer had op toeslag vanaf het moment dat haar partner inkomsten ontving. Het UWV was dan ook verplicht de toeslag met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: De toeslag is terecht beëindigd en het onverschuldigd ontvangen bedrag van €18.590,78 wordt teruggevorderd.

Uitspraak

11/6272 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2011, 11/4921
(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 13 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar partner en gemachtigde S. van Riel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 april 2011 waarbij het Uwv de toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op de WAO-uitkering voor appellante met ingang van 5 oktober 2004 heeft beëindigd. Appellante heeft tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 april 2011 waarbij het Uwv de aan haar betaalde toeslag over de periode van 5 oktober 2004 tot en met 31 januari 2011 tot een bedrag van
€ 18.590,78 heeft teruggevorderd.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 23 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv de door appellante gemaakte bezwaren tegen de bij 1.2 vermelde besluiten ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, aangezien zij geen melding heeft gemaakt van de inkomsten die door haar partner zijn ontvangen vanaf 5 oktober 2004. Voorts heeft het Uwv geen aanleiding gezien een dringende reden aan te nemen, waardoor had moeten worden afgezien van terugvordering van de ten onrechte ontvangen toeslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank had appellante kunnen en moeten weten dat zij toeslag ontving. De rechtbank acht het daarbij van belang dat appellante zelf een aanvraag om toeslag heeft ingediend, dat zij toekenningsbesluiten over de toeslag heeft ontvangen en dat aan haar inlichtingenformulieren zijn verstuurd in het kader van het ontvangen van toeslag. Voorts had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen en moeten zijn dat de toeslag haar vanaf het moment dat haar partner inkomsten uit arbeid ging ontvangen ten onrechte werd verstrekt. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de partner van appellante ter zitting heeft verklaard dat hij per 5 oktober 2004 € 1.250,- netto per maand is gaan verdienen terwijl hij voordien een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand van € 435,00 netto per maand ontving. Bovendien is appellante er zowel destijds in de toekenningsbesluiten als in de haar toegezonden inlichtingenformulieren op gewezen dat zij de daar nader omschreven wijzigingen in haar leefsituatie, waaronder een verandering in het gezinsinkomen, onmiddellijk aan het Uwv diende door te geven. Naar het oordeel van de rechtbank was het Uwv dan ook verplicht de uitkering ingevolge de TW te herzien dan wel in te trekken. Nu de uitkering met terugwerkende kracht kon worden herzien, staat voorts vast dat over de periode van
5 oktober 2004 tot en met 31 januari 2011 de toeslag onverschuldigd is betaald. Volgens de rechtbank is het Uwv op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW, behoudens de aanwezigheid van dringende redenen, gehouden om het bedrag van € 18.590,78 bruto van appellante terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de TW, is de rechtbank niet gebleken.
3. In hoger beroep heeft appellante opnieuw het standpunt ingenomen dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij ten onrechte toeslag ontving. Zij heeft aangevoerd dat op de door haar ontvangen specificaties de toeslag nergens is vermeld en dat zij ook vanwege psychische problemen niet wist dat zij een toeslag ingevolge de TW ontving. Voorts is aangevoerd dat het appellante om financiële redenen onmogelijk is een bedrag aan het Uwv terug te betalen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Op grond van artikel 11a, eerste lid, onder b, van de TW, wordt de toeslag herzien of ingetrokken indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.2. Appellante betwist niet dat zij vanaf 5 oktober 2004 geen recht op toeslag meer had, maar voert aan dat het haar niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij deze toeslag daadwerkelijk ontving. Met verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank oordeelt de Raad dat appellante had kunnen weten dat zij een toeslag ontving en hierop met ingang van 5 oktober 2004 geen recht meer had. Hieruit vloeit voort dat het Uwv verplicht was om de toeslag op grond van artikel 11a van de TW over de periode van
5 oktober 2004 tot en met 31 januari 2011 in te trekken.
4.3. In de namens appellante door haar gemachtigde ter zitting aangevoerde omstandigheden, betrekking hebbend op haar financiële omstandigheden, ziet de Raad geen dringende redenen in de zin van artikel 20, vierde lid, van de TW. Zoals de rechtbank heeft overwogen kunnen deze redenen slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellante heeft geen gegevens ingebracht waardoor dit aannemelijk wordt gemaakt.
4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2012.
(get.) J.P.M. Zeijen.
(get.) N.S.A. El Hana.
GdJ