Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BW2871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/4086 WWB + 10/1169 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48, tweede lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere bijstand als geldlening versus gift bij schulden

Appellant, met Afghaanse nationaliteit, ontving algemene bijstand vanaf 2002, maar deze werd ingetrokken per 1 juli 2006 wegens het ontbreken van een verblijfstitel. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning werd de bijstand met terugwerkende kracht toegekend vanaf 15 juni 2007. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor het aflossen van schulden, welke door het college werd toegekend in de vorm van geldleningen.

Appellant voerde aan dat de schulden deels zijn ontstaan in perioden zonder inkomen en dat hij daarom bijzondere bijstand als gift zou moeten ontvangen. Hij verwees naar beleidsregels die in bijzondere omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel van verstrekking als geldlening toestaan.

De Raad oordeelde dat de omstandigheden van appellant niet zodanig bijzonder zijn dat een uitzondering gerechtvaardigd is. De schulden die ontstonden tijdens de periode zonder verblijfstitel vallen buiten de kring van rechthebbenden. Ook de terugwerkende kracht van de bijstand wordt niet als bijzonder aangemerkt. Omdat appellant niet in een schuldsaneringstraject zit, geldt het beleid van het college dat bijzondere bijstand voor schulden als geldlening wordt verstrekt. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De bijzondere bijstand wordt terecht als geldlening toegekend en niet als gift.

Uitspraak

09/4086 WWB
10/1169 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juni 2009, 08/5977 (aangevallen uitspraak 1) en 13 januari 2010, 09/2260 (aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)
Datum uitspraak: 17 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat, in beide zaken hoger beroep ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Namens appellant is mr. Wudka verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, die de Afghaanse nationaliteit bezit, heeft vanaf 3 april 2002 algemene bijstand ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de bijstand met ingang van 1 juli 2006 ingetrokken op de grond dat appellant niet beschikt over een verblijfstitel. Door de uitspraak van de Raad van 2 maart 2010, LJN BL6181 is het besluit tot intrekking van de bijstand per 1 juli 2006 rechtens onaantastbaar geworden.
1.2. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om bijzondere bijstand om zijn huurschuld af te lossen heeft het college bij besluit van 4 juni 2008 aan appellant bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening ten bedrage van € 4.486,23. Bij besluit van 30 juni 2008, voor zover hier van belang, (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2008 ongegrond verklaard.
1.3. Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt ten bedrag van € 1.058,74 ter aflossing van zijn schulden aan de woningbouwvereniging, het waterleidingbedrijf en de ziektekostenverzekeraar. Bij besluit van 9 februari 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2008 ongegrond verklaard.
1.4. Nadat appellant in het bezit was gekomen van een vergunning tot verblijf heeft het college aan appellant met ingang van 8 januari 2008 algemene bijstand toegekend. Na een beroepsprocedure heeft het college de ingangsdatum van de algemene bijstand, overeenkomstig het verzoek van appellant, alsnog bepaald op 15 juni 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraken. Appellant is van mening dat het college in zijn omstandigheden aanleiding had moeten zien de bijzondere bijstand niet in de vorm van geldleningen te verstrekken, maar als gift. De schulden waarvoor de bijzondere bijstand is verleend zijn ten dele ontstaan in de periode waarin hij niet beschikte over enig inkomen. Ook in de periode vanaf 15 juni 2007 is hij geruime tijd verstoken gebleven van inkomen omdat de bijstand met terugwerkende kracht tot die datum is toegekend. Appellant is van mening dat het ontstaan van de enorme schuldenlast hem niet te verwijten valt. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op beleid van het college volgens welke in bijzondere omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat bijzondere bijstand ter aflossing van schulden als geldlening wordt verstrekt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In geschil is of het college in de omstandigheden van appellant aanleiding had moeten zien de toegekende bijzondere bijstand om niet te verstrekken in plaats van in de vorm van geldleningen.
4.2. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.
4.3. De door appellant aangevoerde omstandigheden kunnen niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt dat zij een uitzondering rechtvaardigen op de hoofdregel dat bijstand voor schulden in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. Voor zover de schulden van appellant zijn ontstaan in de periode van 1 juli 2006 tot 15 juni 2007 is van belang dat appellant in die periode niet beschikte over een vergunning tot verblijf en om die reden was uitgesloten van de kring van rechthebbenden op grond van de WWB. Ten aanzien van de in die periode ontstane schulden bestaat dan ook geen aanleiding voor toekenning van bijzondere bijstand om niet. Dat de algemene bijstand alsnog met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007 is toegekend kan evenmin als een zeer bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Daarbij kan in het midden blijven of appellant, naar hij stelt, de nabetaling van bijstand van € 6.748,77 heeft aangewend voor aflossing van andere schulden. Aangezien appellant zich niet bevond in een schuldsaneringstraject behoort hij niet tot de groep van personen voor wie volgens het beleid van het college uitzondering kan worden gemaakt op de hoofdregel dat voor schulden bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt. De door appellant aangevoerde omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat het college met toepassing van dit beleid of in afwijking van dit beleid voor de schulden van appellant bijzondere bijstand om niet had moeten verstrekken.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen van appellant niet slagen, zodat de aangevallen aanspraken voor bevestiging in aanmerking komen.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) B. Bekkers.
HD