ECLI:NL:CRVB:2012:BW2932

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4989 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij bijstandsverlaging

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle verlaagde haar bijstand tweemaal, respectievelijk met 10% en 20%, omdat zij niet was verschenen voor gesprekken met gemeentelijke consulenten. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten. Het college verklaarde de bezwaren gegrond, herroepen de verlagingen en kondigde nabetaling aan.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het belang van appellante was komen te vervallen door de herroeping en nabetaling. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk procesbelang had vanwege een aanspraak op schadevergoeding wegens een vergiftiging in 2007 tijdens re-integratiewerkzaamheden.

De Raad oordeelde dat de vermeende schade niet het gevolg was van de bijstandsverlagingen maar van de eerdere vergiftiging, en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

11/4989 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 augustus 2011, 11/764 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 17 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2012. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. van der Burg.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.
1.2. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2010 voor de duur van een maand verlaagd met 10% op de grond dat appellante niet is verschenen voor een gesprek met de consulent re-integratie van de gemeente Zwolle.
1.3. Bij besluit van 18 juni 2010 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2010 voor de duur van een maand verlaagd met 20% op de grond dat appellante niet is verschenen voor een gesprek met de consulent werk van de gemeente Zwolle.
1.4. Bij besluit van 9 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 10 mei 2010 en 18 juni 2010 (primaire besluiten) gegrond verklaard, de primaire besluiten herroepen en meegedeeld dat de ingehouden bijstand wordt nabetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Daarbij heeft de rechtbank tevens geoordeeld dat er geen plaats is voor schadevergoeding.
3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij had wel een procesbelang, nu zij recht heeft op schadevergoeding. Zij is op 14 september 2007 tijdens haar re-integratiewerkzaamheden bij Wezoflex vergiftigd door koekjes met rattengif. Zij ondervindt daarvan nog steeds gezondheidsschade en de gemeente is daarvoor aansprakelijk.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vaststaat dat het college met het bestreden besluit de verlagingen van de bijstand ongedaan heeft gemaakt en tot nabetaling van de ingehouden bijstand is overgegaan. Daarmee was het belang van appellante bij een beoordeling van het bestreden besluit in beroep in beginsel komen te vervallen. Dit zou anders kunnen zijn indien appellante schade heeft geleden door de primaire besluiten of het bestreden besluit, maar die situatie doet zich niet voor. De schade die appellante stelt te hebben geleden, is immers niet het gevolg van die besluiten, maar van de gestelde vergiftiging in 2007. De rechtbank heeft het hoger beroep dan ook terecht wegens het ontbreken van procesbelang
niet-ontvankelijk verklaard.
4.2. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2012.
(get.) E.J.M. Heijs.
(get.) J.M. Tason Avila.
HD