ECLI:NL:CRVB:2012:BW3813

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6662 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 27 WWMaatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens niet-naleving sollicitatieplicht

Appellant ontvangt sinds maart 2010 een WW-uitkering. Het UWV verlaagde zijn uitkering met 25% wegens het niet nakomen van de sollicitatieplicht, welke maatregel later werd gematigd tot 15%. Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat hij onvoldoende bekend was met zijn verplichtingen, door ziekte niet kon solliciteren, en dat de maatregel buitenproportioneel was.

De Raad oordeelt dat appellant voldoende op de hoogte was van zijn sollicitatieplicht, mede door het aanvraagformulier en ontvangen brochure. De ziekteverwijzing werd niet gevolgd omdat appellant dit niet met bewijs kon onderbouwen en de ziekteperiode niet overeenkwam met de overtredingsperiode. De matiging van de maatregel door het UWV vanwege dubbele uitkering werd erkend, maar verdere matiging was niet gerechtvaardigd.

De Raad concludeert dat de opgelegde maatregel proportioneel is gezien de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid. Er is geen reden om af te zien van de maatregel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De maatregel tot verlaging van de WW-uitkering met 15% wordt bevestigd wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht.

Uitspraak

11/6662 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant]d, wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2011, 11/3331 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 25 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. dr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. Tijhuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontvangt met ingang van 16 maart 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel met ingang van 24 januari 2011 verlaagd met 25% gedurende vier maanden omdat hij niet heeft voldaan aan zijn sollicitatieplicht, de bewaarplicht en niet voldoende beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 30 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar gegrond verklaard en de korting op de uitkering verlaagd van 25% naar 15%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de op hem rustende verplichtingen hem onvoldoende bekend waren, dat hij ziek was zodat deze verplichtingen niet op hem van toepassing waren, dat zijn uitkeringssituatie onduidelijk was en dat, indien en voor zover hij bepaalde verplichtingen heeft overtreden, de opgelegde maatregel buitenproportioneel is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Indien een werknemer deze verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen weigert het Uwv de uitkering op grond van artikel 27, derde lid, van de WW tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk. Op grond van artikel 27, zesde lid, van de WW wordt de maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten bepaalt de hoogte en de duur van de in geval van overtreding van de sollicitatieverplichting op te leggen maatregel op 25% van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15% en ten hoogste 100% van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste 4 maanden.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zijn sollicitatieverplichting niet is nagekomen. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in zijn betoog dat deze verplichting hem onvoldoende bekend was. Appellant is op het aanvraagformulier WW gewezen op zijn sollicitatieplicht. Hij heeft bovendien de brochure ”Wat zijn mijn rechten en plichten bij een WW-uitkering” ontvangen, waarin deze verplichting uitdrukkelijk is vermeld. Die verplichting moet hem daarom duidelijk zijn geweest. Dat geldt ook indien appellant tijdens het gesprek met zijn werkcoach op 27 augustus 2010 niet (nogmaals) zou zijn gewezen op zijn sollicitatieverplichting.
4.3. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat hij door ziekte niet aan zijn sollicitatieplicht heeft kunnen voldoen. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellant zich vanuit de WW heeft ziek gemeld bij het Uwv. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij zijn standpunt, dat hij zich verschillende keren telefonisch heeft ziek gemeld bij het Uwv, niet met verifieerbare gegevens kan onderbouwen. Uit een inspectierapport van 29 december 2010 blijkt weliswaar dat appellant ziek is geweest van 28 juli 2010 tot en met 16 september 2010, maar deze ziekteperiode heeft geen betrekking op de periode gedurende welke appellant wordt verweten zijn sollicitatieverplichting niet te zijn nagekomen.
4.4. Appellant heeft gesteld dat de opgelegde maatregel moet worden gematigd omdat zijn uitkeringssituatie onduidelijk was. Appellant ontving op eigen verzoek zijn WW-uitkering via zijn voormalige werkgever. Hij ontving over de maanden oktober 2010 en november 2010 ook een WW-uitkering rechtstreeks van het Uwv. Appellant heeft aldus over de maanden oktober en november 2010 tweemaal WW-uitkering ontvangen. Uit het bestreden besluit blijkt dat het Uwv hierin aanleiding heeft gezien de hoogte van de maatregel te matigen van 25% naar 15% gedurende vier maanden. Het Uwv heeft dus bij het opleggen van de maatregel rekening gehouden met de onduidelijke uitkeringssituatie van appellant. Het Uwv is niet gehouden om een nog verdere matiging toe te passen, nu appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom het ontvangen van een dubbele uitkering hem zou ontslaan van de op hem rustende verplichting om te trachten passende arbeid te verwerven.
4.5. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de opgelegde maatregel buitenproportioneel is. Het Uwv heeft in het geval van appellant gekozen voor de laagst mogelijke maatregel. Deze maatregel is, gelet op de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid, niet onevenredig. Van een situatie waarin het Uwv zou moeten afzien van het opleggen van een maatregel omdat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt is geen sprake.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende,
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) J.R. Baas.
NW