ECLI:NL:CRVB:2012:BW4143
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over vermogenstoetsing bij Wuv-uitkering wegens onjuiste waardering
Appellant, geboren in 1938, ontving sinds 1 februari 2006 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder had bij de vaststelling van de uitkering een aftrek toegepast voor inkomsten uit vermogen, waarbij het erfdeel van de echtgenote in een huis werd meegenomen. Appellant maakte bezwaar tegen deze aftrek, stellende dat het huis al in 2002 was toegezegd aan een charitatieve instelling, Rowanville Ltd., en dus niet tot het vermogen van zijn echtgenote behoorde.
De Raad oordeelt dat het huis formeel pas in 2009 op naam van Rowanville is overgeschreven en dat het op de peildatum 1 februari 2006 nog tot de onverdeelde boedel behoorde. De primaire beroepsgrond faalt daarom. Wel acht de Raad van belang dat er in 2002 een testamentaire overeenkomst is gesloten waarin verplichtingen tot giften aan charitatieve instellingen zijn vastgelegd, die ook voor de echtgenote gelden. Deze verplichtingen, overgenomen door Rowanville, hadden bij de vermogensvaststelling in mindering moeten worden gebracht.
De Raad bepaalt dat een derde van het bedrag van £ 100.000,- aan giften van het vermogen moet worden afgetrokken, wat leidt tot een lagere aftrek van vermogen bij de uitkeringsvaststelling. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met een lagere aftrek voor vermogen.