ECLI:NL:CRVB:2012:BW4594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten na noodzakelijke verhuizing
Appellante keerde in juni 2010 vanuit Suriname terug naar Nederland en ging inwonen bij haar dochter in Amsterdam. Het college kende haar bijzondere bijstand toe voor de eerste huur en waarborgsom van een seniorenwoning, maar wees haar aanvraag voor bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond.
Appellante stelde dat haar verhuizing noodzakelijk was en dat het college dit had erkend door de eerdere toekenning van bijzondere bijstand, waardoor zij erop mocht vertrouwen dat ook de woninginrichtingskosten zouden worden vergoed. De Raad oordeelde dat de kosten van woninginrichting in principe uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken.
De Raad stelde vast dat de terugkeer uit Suriname, de woonsituatie bij haar dochter en gezondheidsproblemen geen bijzondere omstandigheden zijn die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Ook het ontbreken van reserveringsruimte door schulden vormt geen bijzondere omstandigheid. Daarnaast ontbraken uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen van het college die het vertrouwensbeginsel zouden kunnen rechtvaardigen.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor woninginrichtingskosten wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.