ECLI:NL:CRVB:2012:BW4701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M. Greebe
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering 35-45% arbeidsongeschiktheid en niet-ontvankelijkheid beroep
Appellante meldde zich in mei 1999 ziek met rugklachten en werd aanvankelijk minder dan 15% arbeidsongeschikt bevonden. Na verdere ziekmeldingen en medische onderzoeken werd een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45% voor de periode van 13 maart 2005 tot 8 april 2008. Het UWV had deze uitkering aanvankelijk onjuist toegekend in een hogere klasse, maar corrigeerde dit na bezwaar.
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV en stelde dat zij per 12 februari 2007 volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met medische informatie van een extern instituut. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het een herhaling betrof van eerder aangevoerde gronden. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt, maar de Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig was en dat de medische rapportages voldoende onderbouwing boden voor het vastgestelde percentage arbeidsongeschiktheid.
De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en verklaarde het beroep zelf ongegrond. Tevens wees de Raad het verzoek tot schadevergoeding af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De WAO-uitkering werd bevestigd zoals toegekend door het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.