ECLI:NL:CRVB:2012:BW5871

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-69 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toekenning Wajong-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft appellante, geboren in 1978, op 22 oktober 2009 een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op 31 mei 2010 besloten om deze aanvraag te weigeren, omdat appellante per 18 juli 1996 voor minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Dit besluit was gebaseerd op rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. De rechtbank Haarlem heeft het beroep van appellante tegen dit besluit op 10 december 2010 ongegrond verklaard, waarna appellante in hoger beroep ging.

De Centrale Raad van Beroep heeft op 16 mei 2012 uitspraak gedaan in deze zaak. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit van het Uwv zorgvuldig was voorbereid en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van het medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts had de dossiergegevens bestudeerd en was aanwezig bij de hoorzitting. De Raad benadrukte dat appellante niet had aangetoond dat zij tussen juli 1995 en juli 1996 arbeidsongeschikt was, en dat de bewijslast bij haar lag, vooral gezien het feit dat het medisch beeld met de tijd moeilijker vast te stellen is.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep van appellante niet slaagde. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van griffier K.E. Haan, en werd openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

Uitspraak

11/69 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 december 2010, 10/3313 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 16 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, geboren [in] 1978, heeft op 22 oktober 2009 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 31 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 24 december 2009 om appellante met ingang van 18 juli 1996 het recht heeft op een Wajong-uitkering te weigeren, omdat zij per laatstgenoemde datum voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht. Het bestreden besluit berust op rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in de enkele, niet onderbouwde, stelling van appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. Aangezien appellante in 1995 en 1996 niet onder behandeling stond, was het voor de verzekeringsartsen niet zinvol nadere informatie bij de behandelend artsen op de vragen. De rechtbank heeft overwogen dat het op de weg lag van appellante om aannemelijk te maken dat zij vanaf juli 1995 arbeidsongeschikt was, doch dat zij op geen enkele wijze, bijvoorbeeld door het indienen van medische stukken, haar betoog heeft onderbouwd. De enkele stelling van appellante dat zij eerst inzicht verkreeg in de ernst en de gevolgen van haar toestand op het moment dat bij haar in 2004 de juiste diagnose werd gesteld, is onvoldoende om ervan uit te gaan dat appellante reeds tussen juli 1995 en juli 1996 arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat de omstandigheid dat de informatie van de behandelend cardioloog geen licht werpt op de gezondheidstoestand in 1995 en 1996 voor risico van appellante komt.
3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat zij op 17-jarige leeftijd zodanig beperkt was, dat zij in aanmerking dient te komen voor een Wajong-uitkering. Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het niet zinvol was voor de verzekeringsartsen om nadere informatie bij behandelend artsen op de vragen. Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. In dit verband acht de Raad van belang dat de bezwaarverzekeringsarts de dossiergegevens heeft bestudeerd, bij de hoorzitting van 9 april 2010 aanwezig is geweest en informatie heeft opgevraagd bij de behandelend cardioloog. De Raad ziet, zonder concrete onderbouwing door appellante, niet in welke medische informatie door het Uwv nog meer had moeten worden opgevraagd. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, blijkt uit de gedingstukken niet dat appellante in de periode tussen 1995 en 1996 onder medisch-specialistische behandeling was.
4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 8 april 2010/27 april 2010 op overtuigende wijze uiteengezet waarom er geen aanleiding bestaat om meer beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst neer te leggen dan de verzekeringsarts heeft gedaan. De Raad wijst er voorts op dat appellante in het onderhavige geval op 22 oktober 2009 een Wajong-uitkering heeft aangevraagd en dat de te beoordelen datum ruim 13 jaar daarvoor ligt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat een medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Behoudens de informatie van de cardioloog, die overigens niet ziet op de hier relevante data in geding, heeft appellante haar stellingen, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, op geen enkele wijze onderbouwd met medische gegevens.
4.3. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) K.E. Haan.
JL