ECLI:NL:CRVB:2012:BW5887

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6872 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid na medisch onderzoek

Appellant, werkzaam als opruimer in de bouw, meldde zich op 17 september 2009 ziek met psychische klachten. Het UWV beëindigde op 10 december 2009 het recht op ziekengeld met ingang van 14 december 2009, omdat een bedrijfsarts oordeelde dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte werk.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 2 februari 2010 ongegrond verklaard na herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV naliet informatie bij zijn huisarts op te vragen, die ernstige psychische klachten had vastgesteld.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij geen aanwijzingen waren voor lichamelijke of psychische beperkingen die werkhervatting onmogelijk maakten. De informatie van de huisarts werd niet als nieuwe relevante informatie beschouwd. Daarom was het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht en werd het hoger beroep afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 14 december 2009 wordt bevestigd.

Uitspraak

10/6872 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 november 2010, 10/1141 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 16 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Koning, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.T. de Vaal, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als opruimer in de bouw, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet per 17 september 2009 ziek gemeld met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht van de bedrijfsarts N. Wildenborg. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 14 december 2009 geschikt kon worden geacht voor het laatst verrichte werk als opruimer in de bouw. Bij besluit van 10 december 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 14 december 2009 geen recht meer had op ziekengeld.
1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft het Uwv bij besluit van 2 februari 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 december 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep voert appellant aan dat het Uwv heeft verzuimd om informatie op te vragen bij zijn huisarts. Daarbij heeft de huisarts verklaard dat deze niet is benaderd door het Uwv. Op grond van de door de huisarts geconstateerde medische omstandigheden - ernstig depressief en suïcidale neigingen - en de verwijzing naar Parnassia stond onvoldoende vast dat appellant per 14 december 2009 geschikt moest worden geacht voor zijn laatst verrichte arbeid. Ter onderbouwing legt appellant een brief van de huisarts van 18 oktober 2010 over.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten dan wel de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellant op het spreekuur van 10 december 2009 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de psychische en sociale problemen van appellant. Bij het onderzoek heeft de verzekeringsarts geen psychische en lichamelijke afwijkingen kunnen constateren. De bezwaarverzekeringsarts Keus heeft vervolgens het dossier bestudeerd en appellant op het spreekuur van 7 januari 2010 onderzocht. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanwijzingen kunnen vinden voor afwijkingen aan het bewegingsapparaat, noch andere lichamelijke afwijkingen. Een psychische decompensatie is niet aanwezig en zeker niet in die hoedanigheid dat het simpel en voorgestructureerde werk als opruimer in de bouw niet mogelijk zou maken. Dat appellant is verwezen naar Parnassia betekent volgens de bezwaarverzekeringsarts niet automatisch dat hij niet in staat zou zijn om te werken. De informatie van de huisarts van 18 oktober 2010, waaruit blijkt dat sprake is van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming naar aanleiding van psychosociale problematiek, betreft volgens het Uwv geen nieuwe nog niet eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende informatie, nu deze in essentie niet afwijkt van de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven diagnose, namelijk spanning- en stemmingsklachten bij psychosociale problematiek. In het vorenstaande ziet de Raad een inzichtelijke en overtuigende motivering van het standpunt dat appellant per 14 december 2009 weer geschikt kon worden geacht voor zijn werk als opruimer in de bouw. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellant met ingang van 14 december 2009 heeft beëindigd.
5. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) K.E. Haan.
JL