ECLI:NL:CRVB:2012:BW6014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontheffing arbeidsinschakelingsverplichting voor beperkte periode bij chronisch vermoeidheidssyndroom
Appellant ontvangt sinds 2007 bijstand en onderging in 2008 een medische keuring waaruit bleek dat hij belastbaar was met licht fysiek werk. In 2010 vond een nieuw medisch onderzoek plaats vanwege vermoeidheidsklachten, vastgesteld als chronisch vermoeidheidssyndroom, waarna een tijdelijk ontheffing van arbeidsinschakeling voor 12 maanden werd geadviseerd.
Het dagelijks bestuur verleende op basis van dit advies een ontheffing tot 1 april 2011 en legde een verplichting op om contact te zoeken met een revalidatiecentrum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat een ontheffing voor onbepaalde tijd niet mogelijk is en dat het bestuur zich mocht baseren op het medisch advies.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij al jaren aan ernstige klachten lijdt en vroeg om een nieuw medisch onderzoek. De Raad oordeelde dat het bestuur op goede gronden het advies van Argonaut mocht volgen en dat appellant geen gegevens had overgelegd die twijfel wekken over de juistheid of zorgvuldigheid van dat advies.
De Raad benadrukte dat bijstandsverlening gericht is op stimulering van arbeidsparticipatie en dat ontheffingen tijdelijk moeten zijn. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de tijdelijke ontheffing van arbeidsinschakeling voor één jaar en wijst het hoger beroep af.