ECLI:NL:CRVB:2012:BW6015
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten bij bijstandsgerechtigde
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor proceskosten, maar het college wees dit af omdat volgens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f van de WWB geen recht bestaat op bijstand voor gedeeltelijke of volledige aflossing van schuldenlast indien de aanvrager ten tijde van het ontstaan van de schuld of daarna over middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Appellant ontving bijstand ten tijde van het ontstaan van de schuld en ook tijdens de procedure, en beschikte dus over middelen. De Raad oordeelde dat er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken. De stelling dat de schuld gezinshereniging in de weg zou staan, werd verworpen.
Verder stelde appellant dat zijn recht op toegang tot de rechter werd belemmerd door de afwijzing, maar de Raad stelde vast dat appellant in de procedure verweer heeft gevoerd en dus geen belemmering ondervond.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant niet in de proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor proceskosten wordt bevestigd.