ECLI:NL:CRVB:2012:BW6207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens niet-melding onroerend goed en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 2003 bijstand en kreeg deze ingetrokken nadat bleek dat hij mogelijk beschikte over onroerend goed in Turkije. Een onderzoek, onder meer via het Internationaal Bureau Fraudeinformatie en de ambassade, toonde aan dat een woning op zijn naam stond met een waarde boven de vermogensgrens.
Appellant voerde aan dat de woning feitelijk eigendom was van zijn zus en dat hij er niet over kon beschikken. Ook betwistte hij de taxatie van de ambassade met een eigen taxatierapport. De Raad oordeelde dat het eigendom op naam van appellant de veronderstelling rechtvaardigt dat hij redelijkerwijs over het onroerend goed kan beschikken en dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit niet zo is.
De Raad stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het bezit van de woning niet te melden. De taxatie van de ambassade werd als betrouwbaar beschouwd, ondanks de betwisting door appellant. Zelfs met de lagere waarde uit het eigen taxatierapport bleef de waarde boven de vermogensgrens.
Daarom werd het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard, de intrekking van de bijstand bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over onroerend goed.