ECLI:NL:CRVB:2012:BW6280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en bestreden besluit over stopzetting WAO-uitkering wegens inkomsten uit arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen de stopzetting van zijn WAO-uitkering over de periode van 1 april 2002 tot 10 augustus 2003, omdat het UWV had vastgesteld dat hij inkomsten uit arbeid genoot waardoor zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, omdat het UWV tijdens het hoger beroep een nieuw besluit nam waarbij de stopzettingsperiode werd verkort. De Raad stelt vast dat het oorspronkelijke besluit van 11 november 2003 in rechte onaantastbaar is geworden en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen.
Het UWV heeft in redelijkheid kunnen besluiten niet terug te komen op het eerdere besluit. Het beroep tegen het nieuwe besluit wordt daarom ongegrond verklaard. Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van schade en proceskosten aan appellant. De beslissing is genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2012.
Uitkomst: Het beroep tegen het nieuwe besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten aan appellant.