ECLI:NL:CRVB:2012:BW6393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de herziening van een WAO-uitkering en de geschiktheid van functies
In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellant, die sinds 7 september 1990 een uitkering ontving, laatstelijk berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op 27 februari 2009 besloten om de uitkering per 17 maart 2009 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, wat uiteindelijk leidde tot een hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft de feiten en omstandigheden van de zaak in overweging genomen, waaronder de medische rapporten van psychiater A.B. van Nijen en bezwaarverzekeringsarts A. Colijn. De Raad concludeert dat er geen medische redenen zijn om de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor onjuist te houden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv voldoende diepgaand en zorgvuldig is geweest en dat de geschiktheid van de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, voldoende is onderbouwd.
Appellant heeft in hoger beroep aanvullende rapporten ingediend, maar de Raad oordeelt dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de psychische beperkingen van appellant. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding terecht is vastgesteld op 15 tot 25%. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, waarbij de voorzitter en de leden de beslissing in het openbaar hebben uitgesproken op 23 mei 2012.