ECLI:NL:CRVB:2012:BW6394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-loonaanvullingsuitkering en vaststelling resterende verdiencapaciteit
Appellante is sinds 10 augustus 2004 arbeidsongeschikt wegens cognitieve en energetische klachten door een neurologische aandoening. Vanaf 8 augustus 2006 ontvangt zij een loongerelateerde WGA-uitkering. Op 19 november 2009 heeft het UWV de loongerelateerde uitkering beëindigd en een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend met een resterende verdiencapaciteit (RVC) van €773,60 per maand, later bij bezwaar vastgesteld op €687 per maand en een arbeidsduurbeperking van 20 uur per week.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogt appellante dat haar beperkingen, met name op het gebied van aandacht, geheugen en handelingstempo, zijn onderschat en dat de functies ongeschikt zijn vanwege precisiewerk en hoge concentratie-eisen.
De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts Van Leeuwen, na medisch onderzoek en overleg met de revalidatiearts, een arbeidsduurbeperking van 20 uur per week aannam vanwege energetische beperkingen na vier uur werken. Appellante heeft geen objectieve medische gegevens overlegd die dit standpunt ondermijnen. De door haar aangevoerde algemene leefregels zijn onvoldoende als medisch bewijs.
De Raad concludeert dat de functies waarop de RVC is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellante. De concentratieproblemen doen zich pas na vier uur werken voor, wat overeenkomt met de vastgestelde beperking. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van een resterende verdiencapaciteit van €687 per maand met een arbeidsduurbeperking van 20 uur per week wordt bevestigd.