ECLI:NL:CRVB:2012:BW6402

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4969 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de ontvankelijkheid van bezwaar tegen beëindiging controle Ziektewet

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 23 mei 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Appellante, vertegenwoordigd door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, had bezwaar gemaakt tegen een brief van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin werd meegedeeld dat de controle voor de Ziektewet (ZW) werd beëindigd omdat appellante hersteld was. De Raad oordeelde dat de brief van 26 oktober 2010 slechts een informatieve mededeling was en niet gericht op enig rechtsgevolg. Het daadwerkelijke rechtsgevolg, namelijk de intrekking van de ZW-uitkering, volgde uit een ander besluit van 22 oktober 2010, dat in rechte vaststond.

Appellante had bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 oktober 2010, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de brief geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante stelde in hoger beroep dat de brief wel degelijk een besluit was en dat zij nadelige effecten ondervond van de beëindiging van de controle.

De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, wat betreft de proceskosten. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.

Uitspraak

11/4969 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2011, 10/6312 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 23 mei 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, advocaat.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.P. Dayala, kantoorgenoot van mr. Mohamed Hoesein. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het Uwv appellante met ingang van 29 oktober 2010 weer geschikt geacht voor haar arbeid, met als (rechts)gevolg dat zij per die datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. In zijn brief van 26 oktober 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat bekend is dat zij met ingang van 29 oktober 2010 hersteld is en dat daarom de controle voor de ZW wordt beëindigd.
1.4. Appellante heeft bij brief van 9 november 2010 bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 oktober 2010 tot beëindiging van de controle per 29 oktober 2010. Bij besluit van 22 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de brief van 26 oktober 2010 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat, voor zover het bezwaar gericht zou zijn tegen het besluit van 22 oktober 2010, het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen aanleiding bestaat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 september 2009, LJN BJ9057, heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 26 oktober 2010 slechts een mededeling van informatieve aard bevat en niet gericht is op enig rechtsgevolg. Voor zover het bezwaar gericht geacht moet worden tegen het besluit van 22 oktober 2010 heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de bezwaartermijn is overschreden en voorts dat voor het aannemen van een verschoonbare termijnoverschrijding geen aanleiding bestaat, zodat het Uwv het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. In haar hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante (samengevat) aangevoerd dat de brief van 26 oktober 2010 wel een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Het rechtsgevolg van de brief is, naar het standpunt van appellante, gelegen in het beëindigen van de controle waarvan appellante nadelige effecten ondervindt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank. De brief van 26 oktober 2010 bevat slechts een mededeling van informatieve aard. Het daadwerkelijke rechtsgevolg dat appellante ondervindt, namelijk intrekking van de ZW uitkering per 29 oktober 2010 en het om die reden beëindigen van de controle voor de ZW volgt uit het besluit van 22 oktober 2010. Dit besluit staat echter, gelet op hetgeen de rechtbank hierover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en welke overwegingen door de Raad worden onderschreven, in rechte vast. Hetgeen in hoger beroep door appellante is aangevoerd brengt de Raad niet tot een andersluidend oordeel.
4.2. Uit het gestelde in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) L. van Eijndthoven.
SG