ECLI:NL:CRVB:2012:BW6402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de ontvankelijkheid van bezwaar tegen beëindiging controle Ziektewet
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 23 mei 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Appellante, vertegenwoordigd door mr. N.D.Z.R. Mohamed Hoesein, had bezwaar gemaakt tegen een brief van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin werd meegedeeld dat de controle voor de Ziektewet (ZW) werd beëindigd omdat appellante hersteld was. De Raad oordeelde dat de brief van 26 oktober 2010 slechts een informatieve mededeling was en niet gericht op enig rechtsgevolg. Het daadwerkelijke rechtsgevolg, namelijk de intrekking van de ZW-uitkering, volgde uit een ander besluit van 22 oktober 2010, dat in rechte vaststond.
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de brief van 26 oktober 2010, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de brief geen besluit was in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante stelde in hoger beroep dat de brief wel degelijk een besluit was en dat zij nadelige effecten ondervond van de beëindiging van de controle.
De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, wat betreft de proceskosten. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.