ECLI:NL:CRVB:2012:BW6569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand ondanks psychische klachten en onduidelijkheid
Appellante, die aanvankelijk een WW-uitkering ontving en zich ziek meldde, kreeg een Ziektewet-uitkering toegekend vanaf 7 juni 2010. Na een arbeidsgeschiktheidsbeslissing per 16 augustus 2010 werd de ZW-uitkering beëindigd. Appellante diende vervolgens op 26 oktober 2010 een aanvraag bijstand in, die met ingang van die datum werd toegekend.
Zij stelde in hoger beroep dat bijzondere omstandigheden, waaronder haar psychische klachten en de onduidelijke situatie rondom haar hersteldmelding, rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2010 wordt toegekend. De Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat appellante wist dat zij na beëindiging van de ZW-uitkering geen recht meer had op WW en dat het haar verantwoordelijkheid was om tijdig bijstand aan te vragen. Haar veronderstelling dat bezwaar maken de ZW-uitkering zou doen doorlopen, was ongegrond. Ook haar psychische problematiek vormde geen bijzondere omstandigheid die terugwerkende kracht rechtvaardigde, mede omdat zij met hulp van derden wel tijdig bezwaar kon maken.
De combinatie van onduidelijkheid en psychische klachten leidde eveneens niet tot een andere conclusie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.