ECLI:NL:CRVB:2012:BW6681
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij hoger beroep tegen tussenbeslissingen rechtbank
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen meerdere tussenbeslissingen van de rechtbank Utrecht, genomen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat hij niet bevoegd is om van het ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
De voorzieningenrechter baseert dit op artikel 18, derde lid, van de Beroepswet, dat bepaalt dat tegen bepaalde tussenbeslissingen slechts samen met het hoger beroep tegen de hoofduitspraak hoger beroep kan worden ingesteld, en niet zelfstandig. Ook is vastgesteld dat tegen wrakingsbeslissingen geen rechtsmiddel openstaat.
Er is geen sprake van een evidente schending van beginselen van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen, zodat het appelverbod niet doorbroken kan worden. Een onjuiste inhoudelijke beoordeling of uitleg van de wet door de rechtbank vormt geen grond voor doorbreking van het appelverbod.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.