ECLI:NL:CRVB:2012:BW6791

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3818 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding studiefinanciering

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreffende studiefinanciering, maar dit bezwaar werd door de Minister niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Amsterdam heeft dit oordeel bevestigd en verklaarde het beroep ongegrond.

Appellante stelde dat het besluit niet aangetekend was verzonden en dat de Minister de ontvangstdatum onvoldoende aannemelijk had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep heeft deze argumenten onderzocht en geoordeeld dat het besluit op het juiste adres en tijdig is verzonden en dat appellante het besluit daadwerkelijk heeft ontvangen. Er was geen concreet aanknopingspunt om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen.

De Raad heeft zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank gesteld en het hoger beroep van appellante verworpen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 mei 2012.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

11/3818-WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2011, 11/365 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], opgeroepen (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgeroepen (Minister)
Datum uitspraak: 16 mei 2012
Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen
Griffier: H.L. Schoor
Ter zitting op 16 mei 2012 is verschenen: drs. P.M.S. Slagter, vertegenwoordiger van de Minister.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. In de aangevallen uitspraak, waartegen appellante hoger beroep heeft ingesteld, is het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort gezegd - overwogen dat de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juli 2010 (Bericht Studiefinanciering 2010, nr. 1) terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bestreden besluit van 13 januari 2011 wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Vaststaat dat appellante dit besluit heeft ontvangen, aangezien zij in haar bezwaarschrift van 21 september 2010 de inhoud daarvan heeft aangehaald. De rechtbank gaat ervan uit dat de Minister het besluit van 3 juli 2010 op diezelfde dag heeft verzonden en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 16 augustus 2010. De door appellante opgegeven reden voor het te laat maken van bezwaar is zodanig algemeen geformuleerd dat daaruit geen concreet aanknopingspunt is af te leiden voor het oordeel dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar moet worden aangemerkt. Er is derhalve niet gebleken van feiten en/of omstandigheden waardoor redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
2. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Er is volgens appellante sprake van een niet-aangetekende verzending en de Minister dient aannemelijk te maken dat het besluit is ontvangen op een tijdstip dat nog tijdig bezwaar had kunnen worden gemaakt.
3. De aangevoerde gronden hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Minister heeft de verzending van het besluit voldoende aannemelijk gemaakt. Het besluit is naar het juiste adres verzonden en bevat een verzenddatum. Bovendien is het besluit door appellante ontvangen. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is onvoldoende om de datum van verzending redelijkerwijs in twijfel te trekken. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en stelt zich volledig achter de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier, De voorzitter,
(get.) H.L. Schoor (get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen
NW