ECLI:NL:CRVB:2012:BW6830
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1999
Betrokkene ontving sinds 1995 een nabestaandenuitkering. Appellant stelde in 2008 vast dat betrokkene en [H.] vanaf december 1999 een gezamenlijke huishouding voerden, op basis van verklaringen en een huisbezoek in 2008. Dit leidde tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht tot augustus 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, omdat zij oordeelde dat er geen nieuwe feiten waren die intrekking rechtvaardigden. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat de verklaringen en checklist uit 2008 nieuwe feiten vormden die het eerdere standpunt moesten herzien.
De Raad oordeelde dat de verklaringen en checklist voldoende feitelijke grondslag bieden voor het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf december 1999, zonder dat sprake was van hulpbehoevendheid die een uitzondering zou vormen. De Raad vernietigde het besluit voor de maand augustus 2005 vanwege een foutieve datum en herroept het eerdere besluit voor die maand, maar liet het overige besluit in stand.
Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. De uitspraak bevestigt dat nieuwe feiten en omstandigheden aanleiding kunnen zijn om eerdere besluiten te herzien en dat de feitelijke situatie bepalend is voor het recht op nabestaandenuitkering.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering over augustus 2005 wordt vernietigd en herroepen.