ECLI:NL:CRVB:2012:BW7539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand tijdens verblijf in Marokko wegens overschrijding toegestane vakantieduur
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de WWB en verbleven van 28 juli tot 13 september 2010 in Marokko. Het college trok de bijstand over de periode van 25 augustus tot 13 september 2010 in wegens overschrijding van de maximale vakantieduur van vier weken. Appellant maakte bezwaar en voerde zeer dringende redenen aan omdat het verkrijgen van paspoorten voor zijn kinderen vertraging had opgelopen, waardoor tijdige terugkeer onmogelijk was.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking over 25 augustus 2010 niet-ontvankelijk en wees het beroep ongegrond voor de periode van 26 augustus tot 13 september 2010 en de terugvordering van bijstandskosten. De Centrale Raad vernietigde het oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar betreffende 25 augustus en oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken vanwege overschrijding van de vakantieduur. De door appellant aangevoerde omstandigheden vormden geen acute noodsituatie die zeer dringende redenen rechtvaardigen.
Verder oordeelde de Raad dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid trad door een oordeel te geven over de terugvordering van bijstandskosten, omdat dit onderwerp niet in het bestreden besluit was begrepen. De Raad bevestigde het overige oordeel van de rechtbank en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand wegens overschrijding van de toegestane vakantieduur wordt bevestigd.