ECLI:NL:CRVB:2012:BW7765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vordering meerinkomen en OV-studentenkaart op grond van Wsf 2000
Appellant ontving in 2007 studiefinanciering bestaande uit een basisbeurs, aanvullende beurs en een OV-studentenkaart. Na controle van zijn bijverdiensten en het voordeel uit sparen en beleggen stelde de Minister het toetsingsinkomen vast op € 13.469,58, wat de vrije voet van € 10.630,74 overschreed. Hierdoor werd een vordering wegens meerinkomen en het bezit van de OV-studentenkaart vastgesteld.
Appellant betwistte dat de persoonsgebonden aftrek niet in mindering was gebracht bij de berekening van het toetsingsinkomen. Hij stelde dat de Minister had moeten uitgaan van het netto loon en belastbaar inkomen of het inkomen uit werk en woning en voordeel uit sparen en beleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de berekening conform artikel 3.17 Wsf 2000 was gedaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de wettelijke tekst helder is en geen ruimte laat voor een andere uitleg dan strikt grammaticaal. De Minister heeft terecht geen rekening gehouden met de persoonsgebonden aftrek. Daarnaast faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel wegens gebrek aan concrete toezeggingen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vordering blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen en het bezit van de OV-studentenkaart wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.