ECLI:NL:CRVB:2012:BW7797

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5390 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na hersenletsel en beoordeling geschiktheid eigen arbeid

Appellant liep in 2005 hersenletsel op door een motorongeval en was van augustus 2007 tot juli 2008 werkzaam als medewerker servicedienst. Op 27 maart 2008 meldde hij zich ziek met klachten als hoofdpijn, desoriëntatie en geheugenverlies. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe.

In oktober 2009 concludeerde een verzekeringsarts na onderzoek dat appellant geschikt was om zijn laatst verrichte werk te hervatten. Het UWV beëindigde daarop de uitkering per 5 oktober 2009. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant in staat werd geacht zijn eigen arbeid te verrichten. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat zijn klachten werden onderschat.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onder 'zijn arbeid' de laatst verrichte functie valt en dat het UWV voldoende inzicht had in de aard en belasting van het werk. De medische onderzoeken waren zorgvuldig en de beoordelingen van de verzekeringsartsen juist. Nadere medische gegevens van appellant gaven geen aanleiding tot een ander oordeel.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt wordt geacht voor zijn laatst verrichte arbeid.

Uitspraak

10/5390 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010, 09/8856 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 6 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolfert-Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in 2005 een motorongeval overkomen, waarbij hij hersenletsel heeft opgelopen. Hij is van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2008 een dienstverband aangegaan als medewerker servicedienst bij een revalidatie hulpmiddelen centrum voor 40,5 uur per week. Op 27 maart 2008 heeft hij zich ziek gemeld vanwege hoofdpijn, desoriëntatie, geheugenverlies en psychische klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Bij onderzoek van appellant op 1 oktober 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant weer geschikt is voor het laatst verrichte werk. Het Uwv heeft bij besluit van 1 oktober 2009 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 5 oktober 2009 beëindigd.
1.3. Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts van 16 november 2009.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat appellant in staat wordt geacht de eigen arbeid te verrichten.
3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij te kampen heeft met de gevolgen van het in 2005 opgelopen hersenletsel. Deze klachten worden volgens hem door het Uwv onderschat en beletten hem om de eigen arbeid te verrichten.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Op grond van artikel 19 van Pro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als medewerker servicedienst is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv, gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 1 oktober 2009 en de overige beschikbare gegevens, voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De daaraan ten grondslag liggende medische onderzoeken zijn voldoende zorgvuldig geweest en de Raad heeft evenmin reden te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De verzekeringsarts stelde bij zijn onderzoek vast dat de revalidatiebehandeling was beëindigd. Verder had appellant al een paar maanden geen wegrakingen meer ondanks de staking van de medicatie. De verzekeringsarts constateerde na zijn onderzoek en bestudering van de medische informatie dat appellant met zijn huidige klachten en beperkingen voldoende belastbaar is voor het laatst verrichte werk. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Hij heeft onderzoek gedaan en de bij het revalidatiecentrum ingewonnen informatie bestudeerd. De adviezen naar aanleiding van het verrichte neuropsychologisch onderzoek zijn mogelijk nog steeds onverkort van toepassing, aldus de bezwaarverzekeringsarts, maar vormen geen aanleiding appellant ongeschikt te achten voor het eigen werk. Ook de in beroep ingebrachte medische informatie gaven hem geen argumenten om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts hetgeen hij in het rapport van 9 februari 2010 nader heeft gemotiveerd.
4.3. Hetgeen in hoger beroep door appellant naar voren is gebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Naar aanleiding van de door appellant ingezonden nadere medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 november 2011 er nog op gewezen dat uit die gegevens geen nieuwe medische feiten blijken en hem geen grond bieden voor andere inzichten. De Raad onderschrijft deze conclusie.
4.4. Hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
KR