ECLI:NL:CRVB:2012:BW7800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4844 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening besluit beëindiging Ziektewet-uitkering wegens ontbreken nieuwe medische feiten

Appellante, die zich ziek meldde met schouderklachten en van wie de Ziektewet-uitkering per 2 september 2009 werd beëindigd, verzocht het UWV om terug te komen op dit besluit. Dit verzoek werd afgewezen omdat de overgelegde medische gegevens geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde vast dat de rapportage van psycholoog Engbersen en de arts Oliveiro geen nieuwe medische feiten opleverden. Ook eerdere medische brieven werden niet als nieuw beschouwd. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de geadviseerde urenbeperking een nieuw medisch feit vormt en of het bestuursorgaan het besluit had moeten herzien.

De Raad oordeelt dat het verzoek van appellante als bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro moet worden beschouwd en dat het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit mag handhaven indien geen nieuwe feiten zijn gebleken. De medische gegevens betroffen slechts een andere waardering van reeds bekende klachten en geen nieuwe feiten. Daarom is het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzitter Goorden en leden Riphagen en Van der Vos op 6 juni 2012.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe medische feiten.

Uitspraak

10/4844 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 juli 2010, 10/1325 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 6 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van Delft, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop mr. Van Delft heeft gereageerd bij brief van 21 oktober 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Delft. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als fulltime productiemedewerker, heeft zich op 26 maart 2009 ziek gemeld met schouderklachten. Na onderzoek door de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2009 appellante per 2 september 2009 niet langer ongeschikt geacht voor haar werk en haar vanaf die datum (verdere) uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.
1.2. Bij brief van 23 december 2009 heeft appellante het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 26 augustus 2009. Na een beoordeling door de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 13 januari 2010 aan appellante meegedeeld dat er geen redenen zijn om het besluit van 26 augustus 2009 te herzien.
1.3. Bij besluit van 1 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 januari 2010, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden van 1 maart 2010, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek om terug te komen van het besluit van 26 augustus 2009 voornamelijk was gebaseerd op de in het rapport van de psycholoog P. Engbersen van 30 september 2009 genoemde urenbeperking en op de omstandigheid dat de arts - van het Uwv - J. Oliveiro deze urenbeperking in het kader van de WSW-indicatiestelling heeft overgenomen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de rapportage van de psycholoog Engbersen geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat ook het gegeven dat de arts Oliveiro in het kader van een
WSW-beoordeling een van de ZW-beoordeling afwijkend standpunt heeft overgenomen, niet betekent dat sprake is van nieuw gebleken feiten ingenomen of veranderde omstandigheden. Ook ten aanzien van de brieven van UMC Radboud van 21 februari 2008 en huisarts L.C.M. Olearnik van 17 september 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze geen nieuw gebleken medische feiten als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb bevatten.
3. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vragen of de geadviseerde urenbeperking door de psycholoog Engbersen en de arts Oliveiro een nieuw medisch feit is en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
3.1. Appellante stelt zich op het standpunt dat beide onder 3 gestelde vragen bevestigend dienen te worden beantwoord.
3.2. Het Uwv heeft aangegeven dat bekend was dat appellante geneigd was over haar grenzen heen te gaan en dat dit derhalve geen nieuw medisch feit is. Ook het in het kader van de WSW ten aanzien van appellante gegeven advies is geen nieuw medisch feit.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bij brief van 23 december 2009 gedane verzoek van appellante dient te worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb om terug te komen van het besluit van 26 augustus 2009.
4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.3. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat de ter ondersteuning van appellantes verzoek om terug te komen van het besluit van 26 september 2009 overgelegde medische gegevens geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb opleveren. Dat appellante geneigd was over haar grenzen te gaan -hetgeen één van de redenen was voor de in het kader van de WSW-indicatie gegeven urenbeperking - blijkt al uit het Actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA van 14 juli 2009 van de bedrijfsarts L.L.J. Goossens van de Arbo Unie. Voorts kan het in het kader van de WSW ten aanzien van appellante gegeven indicatieadvies en het daaraan ten grondslag liggende standpunt van de psycholoog Engbersen en de arts Oliveiro niet anders worden gezien dan als een andere waardering van de reeds bekend zijnde klachten.
4.4. Hiervan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel dat daarbij anderszins is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en D.J. van der Vos als leden in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
KR