ECLI:NL:CRVB:2012:BW8522
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening herleving AOW-pensioen na gevangenisstraf
Verzoeker, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden, vroeg om een voorlopige voorziening om de schorsende werking van het hoger beroep tegen het beëindigingsbesluit van zijn AOW-pensioen op te heffen. Hij stelde dat hij sinds november 2011 geen AOW meer ontving en geen inkomen of vermogen had, waardoor hij zijn vaste lasten en medische kosten niet kon betalen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende bewijs had geleverd van een financiële noodsituatie, aangezien hij geen gegevens over zijn inkomens- of vermogenspositie had overgelegd. Ook was niet aannemelijk dat verzoeker niet in staat zou zijn om de onttrekking aan de tenuitvoerlegging van zijn straf ongedaan te maken. Namens de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd gesteld dat het AOW-pensioen herleeft zodra verzoeker zich meldt bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) met opgave van zijn verblijfsadres in Thailand.
Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij het CJIB had gemeld. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker zelf de situatie kan herstellen door zich te melden bij het CJIB. Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en onvoldoende bewijs van financiële nood.