ECLI:NL:CRVB:2012:BW8522

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-2319 AOW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening herleving AOW-pensioen na gevangenisstraf

Verzoeker, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden, vroeg om een voorlopige voorziening om de schorsende werking van het hoger beroep tegen het beëindigingsbesluit van zijn AOW-pensioen op te heffen. Hij stelde dat hij sinds november 2011 geen AOW meer ontving en geen inkomen of vermogen had, waardoor hij zijn vaste lasten en medische kosten niet kon betalen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende bewijs had geleverd van een financiële noodsituatie, aangezien hij geen gegevens over zijn inkomens- of vermogenspositie had overgelegd. Ook was niet aannemelijk dat verzoeker niet in staat zou zijn om de onttrekking aan de tenuitvoerlegging van zijn straf ongedaan te maken. Namens de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd gesteld dat het AOW-pensioen herleeft zodra verzoeker zich meldt bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) met opgave van zijn verblijfsadres in Thailand.

Verzoeker had niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij het CJIB had gemeld. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker zelf de situatie kan herstellen door zich te melden bij het CJIB. Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en onvoldoende bewijs van financiële nood.

Uitspraak

12/2319 AOW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats], Thailand (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 15 juni 2012
PROCESVERLOOP
De Svb heeft hoger beroep ingesteld.
Namens verzoeker heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2012. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Welten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
OVERWEGINGEN
1.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
2.1. Verzoeker is bij een onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof 's-Gravenhage veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden.
2.2. De Svb heeft bij besluit van 21 oktober 2011 het pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet met ingang van
1 juli 2011 (feitelijk: per 1 november 2011) beëindigd. Bij besluit van 22 november 2011 is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3. Bij uitspraak van 7 februari 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 22 november 2011 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 21 oktober 2011 herroepen, de Svb veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat de Svb aan verzoeker het betaalde griffierecht vergoedt.
3.1. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen strekt ertoe dat de schorsende werking van het hoger beroep tegen de uitspraak van 7 februari 2012 wordt opgeheven en de aanspraak van verzoeker op AOW-pensioen herleeft.
3.2. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat verzoeker vanaf november 2011 geen ouderdomspensioen meer heeft ontvangen. Hij heeft, behalve een klein bedrijfspensioen, geen inkomen en voorts geen vermogen. Daardoor kan verzoeker zijn vaste woonlasten en de behandeling van zijn ziekte en benodigde medicatie niet bekostigen. Verzoeker heeft gesteld dat hij door de beëindiging van het pensioen geen geld meer heeft om naar Nederland terug te keren. Voorts heeft verzoeker gesteld dat voor onttrekking aan de tenuitvoerlegging geen sprake is, omdat het Openbaar Ministerie wist waar verzoeker zich bevond en hij meende in aanmerking te komen voor de zelfmeldprocedure.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Niet is aangetoond dat verzoeker zich in een financiële noodsituatie bevindt. Verzoeker heeft geen gegevens over zijn inkomens- of vermogenssituatie overgelegd. Niet kan worden vastgesteld wat de hoogte is van het bedrijfspensioen en of verzoeker daarnaast nog andere inkomsten geniet. Niet kan worden volstaan met de vaststelling - hetgeen namens verzoeker is betoogd - dat in het verleden de bijstandsuitkering van verzoeker is teruggevorderd. Deze situatie in het verleden sluit niet uit dat verzoeker nadien ander inkomen of vermogen heeft verworven. De aanspraak op AOW-pensioen die verzoeker vanaf 2007 heeft gehad, staat er immers niet aan in de weg dat verzoeker activiteiten ontplooit waarmee hij inkomen verwerft of vermogen opbouwt.
4.2. Niet aannemelijk is dat verzoeker niet in staat is de onttrekking aan de tenuitvoerlegging ongedaan te maken. Bij de behandeling ter zitting is namens de Svb het standpunt ingenomen dat het AOW-pensioen herleeft zodra verzoeker zich - onder opgave van zijn verblijfsadres in Thailand - meldt bij het CJIB. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij het CJIB enige melding heeft gedaan onder opgave van zijn actuele verblijfsadres in Thailand. De omstandigheid dat zijn verblijfsadres (mogelijk) wel bij andere instanties bekend was, doet aan het voorgaande niet af, mede gelet op het voorlopige karakter van de onderhavige procedure. In dit verband is immers van belang of verzoeker de beweerdelijke spoedeisende situatie zelf kan afwenden. Niet aannemelijk is dat verzoeker deze situatie niet zelf kan keren, door zich bij het CJIB te melden voor de tenuitvoerlegging van zijn straf.
4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van een spoedeisend belang dat noopt tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2012.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) R.L. Rijnen.
KR