ECLI:NL:CRVB:2012:BW8919
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over verwijtbare werkloosheid en toewijst schadevergoeding
Appellante was werkzaam als medewerker algemene ondersteuning en werd ontslagen wegens weigering passende werkzaamheden te verrichten tijdens ziekte. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe, maar de werkgever maakte bezwaar met het argument dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond vanwege onvoldoende motivering van het UWV.
In het bestreden besluit trok het UWV de WW-uitkering alsnog in, stellende dat appellante verwijtbaar werkloos was omdat zij niet meewerkte aan re-integratie en niet reageerde op het ontslagvoorstel. De rechtbank verklaarde dit besluit echter gegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van verwijtbare werkloosheid.
De Raad stelt dat weigering passende arbeid tijdens ziekte geen dringende reden is voor ontslag op staande voet en dat bijkomende verwijten ontbreken. Ook het niet reageren op het ontslagvoorstel kan niet als verwijt worden aangemerkt. De Raad verklaart het bezwaar van de werkgever ongegrond en veroordeelt het UWV tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, alsmede tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd, het bezwaar van de werkgever wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.