ECLI:NL:CRVB:2012:BW9484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3480 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35aa WWArt. 77a WWBesluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Staatsblad 2006, 35)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering na startersperiode zelfstandige

Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om gedurende een startersperiode van zes maanden werkzaamheden als zelfstandige te verrichten met behoud van uitkering, waarbij 70% van zijn inkomsten in mindering zou worden gebracht. Na beëindiging van de uitkering stelde het UWV vast dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen en vorderde een bedrag terug.

Appellant voerde aan dat hij op basis van het besluit van 21 november 2007 mocht vertrouwen dat slechts 70% van de inkomsten in het eerste half jaar in mindering zou worden gebracht, en niet over een langere periode. De Raad oordeelde dat uit het besluit en de communicatie geen rechtens te honoreren vertrouwen kon worden afgeleid dat verrekening beperkt zou blijven tot de startersperiode.

De Raad bevestigde dat het UWV terecht de inkomsten in het half jaar na de startersperiode heeft betrokken bij de berekening van het terug te vorderen bedrag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet omdat appellant onvoldoende onderbouwde dat het UWV een onjuiste verwachting had gewekt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het bezwaar ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de inkomsten van appellant als zelfstandige na de startersperiode heeft betrokken bij de terugvordering van een te hoog ontvangen WW-voorschot.

Uitspraak

11/3480 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2011, 10/3931 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
1.1 Appellant is met ingang van 1 augustus 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft bij besluit van 21 november 2007 appellant toestemming verleend om met behoud van uitkering gedurende de periode van 12 november 2007 tot en met 11 mei 2008 werkzaamheden in de uitoefening van een eigen bedrijf te verrichten. In dat besluit is bepaald dat tijdens deze periode de uitkering van appellant doorloopt en dat op die uitkering 70% van zijn inkomsten als zelfstandige in mindering wordt gebracht. Ten slotte is bepaald dat de uitkering over deze periode als voorschot betaalbaar wordt gesteld. Bij besluit van 9 mei 2008 is de WW-uitkering van appellant met ingang van 21 april 2008 beëindigd.
1.2 Bij besluit van 15 september 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, in verband met zijn inkomsten als zelfstandige, een te hoog voorschot heeft ontvangen en is een bedrag van € 11.429,40 bruto van appellant teruggevorderd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Wel is het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 10.987,10 bruto. In het besluit van 15 september 2010 was abusievelijk een te hoog bedrag genoemd. Daarbij heeft het Uwv weergegeven op welke wijze de inkomsten van appellant als zelfstandige zijn berekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant bestrijdt in hoger beroep niet dat de berekening die van zijn inkomsten is gemaakt, onjuist is. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij op basis van de bewoordingen in het besluit van 21 november 2007 in de veronderstelling was dat 70% van de inkomsten als zelfstandige van het eerste half jaar op zijn WW-uitkering in mindering zou worden gebracht, en niet de inkomsten over een periode van 52 weken vanaf de aanvang van de werkzaamheden als zelfstandige. Appellant ging er vanuit dat hij niets hoefde terug te betalen aangezien hij tot 25 augustus 2010 niets meer van het Uwv had gehoord. Volgens appellant mocht hij op basis van de informatie in het besluit van 21 november 2007 erop vertrouwen dat alleen de inkomsten tijdens de startersperiode van een half jaar zouden worden verrekend met zijn WW-uitkering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Op grond van artikel 77a, eerste lid, van de WW kan het Uwv een werknemer toestemming verlenen om gedurende maximaal 26 kalenderweken werkzaamheden in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep te verrichten. Op grond van het tweede lid blijft voor de werknemer, bedoeld in het eerste lid, het recht op uitkering op grond van hoofdstuk II bestaan.
4.1.2. Op grond van artikel 35aa, eerste lid, van de WW wordt, indien de werknemer toestemming heeft verkregen van het Uwv om werkzaamheden als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de WW te verrichten, de uitkering verminderd met 70% van de inkomsten uit of in verband met die werkzaamheden. Op grond van het tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de inkomsten, bedoeld in het eerste lid, de berekening daarvan en de periode waaraan deze worden toegerekend.
4.1.3. De regels, bedoeld in artikel 35aa, tweede lid, van de WW zijn gesteld bij het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW (Staatsblad 2006, 35, Besluit). In artikel 3 van Pro het Besluit is een berekeningsmethode neergelegd waarin onder meer de inkomsten over het aanvangsjaar en de inkomsten over het jaar gelegen na het aanvangsjaar zijn betrokken.
4.2. Appellant verkeerde in de veronderstelling dat slechts 70% van de werkelijke verdiensten in het eerste half jaar van zijn werkzaamheden als zelfstandige op de WW-uitkering in mindering zouden worden gebracht. Uit de letterlijke bewoordingen van het besluit van 21 november 2007 volgt dat echter niet. Weliswaar is in het besluit van 21 november 2007, zoals ook door het Uwv is erkend, niet uitdrukkelijk vermeld welke berekeningsmethodiek wordt gehanteerd, maar daarmee is echter niet door het Uwv een in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat verrekening zou plaatsvinden op de wijze zoals appellant veronderstelde. Dit volgt evenmin uit de verslagen van de gesprekken met de re-integratiecoach van 7 november 2007 en 14 februari 2008. Een dergelijke mededeling is appellant ook niet op een andere wijze schriftelijk gedaan. De periode vanaf de start van de werkzaamheden tot 25 augustus 2010 is niet zo lang dat appellant daaraan een in rechte te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat het Uwv niet meer tot terugvordering over zou gaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Het Uwv heeft terecht de inkomsten als zelfstandige van appellant in het half jaar na de einddatum van de startersperiode betrokken bij de berekening van het te verrekenen bedrag met de uitkering.
4.3. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2012.
(get.) H.G. Rottier
(get.) G.J. van Gendt
TM