ECLI:NL:CRVB:2012:BW9484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschot WW-uitkering na startersperiode zelfstandige
Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming om gedurende een startersperiode van zes maanden werkzaamheden als zelfstandige te verrichten met behoud van uitkering, waarbij 70% van zijn inkomsten in mindering zou worden gebracht. Na beëindiging van de uitkering stelde het UWV vast dat appellant een te hoog voorschot had ontvangen en vorderde een bedrag terug.
Appellant voerde aan dat hij op basis van het besluit van 21 november 2007 mocht vertrouwen dat slechts 70% van de inkomsten in het eerste half jaar in mindering zou worden gebracht, en niet over een langere periode. De Raad oordeelde dat uit het besluit en de communicatie geen rechtens te honoreren vertrouwen kon worden afgeleid dat verrekening beperkt zou blijven tot de startersperiode.
De Raad bevestigde dat het UWV terecht de inkomsten in het half jaar na de startersperiode heeft betrokken bij de berekening van het terug te vorderen bedrag. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagde niet omdat appellant onvoldoende onderbouwde dat het UWV een onjuiste verwachting had gewekt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de inkomsten van appellant als zelfstandige na de startersperiode heeft betrokken bij de terugvordering van een te hoog ontvangen WW-voorschot.