ECLI:NL:CRVB:2012:BW9871
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering Rotterdam status en niet-ontvankelijkheid bezwaar
Verzoeker, een staatloze Palestijnse vluchteling zonder vaste verblijfplaats, vroeg om toekenning van de Rotterdam status en buitenwettelijke hulp. Het college Rotterdam verklaarde bij brief dat een regeling voor de Rotterdam status onbekend is en verleende slechts tijdelijke, uitzonderlijke ondersteuning aan rechtmatig verblijvende ex-asielzoekers. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit zou zijn. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond, stellende dat er geen publiekrechtelijke bevoegdheid is voor de bbb-regeling en dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde.
In hoger beroep stelde verzoeker dat hij door het intrekken van leefgeld en het verlaten van de bbb-regeling in een spoedeisende situatie verkeerde. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van 2 december 2010 wel een besluit in de zin van de Awb is, gebaseerd op de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarom werd het besluit van 1 februari 2011 vernietigd en het bezwaar tegen de brief van 2 december 2010 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van verzoeker in de hoger beroepsprocedure tegen de afwijzing van de maatschappelijke opvang aan de orde zullen komen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat geen spoedeisende omstandigheden waren die onmiddellijke voorziening rechtvaardigden. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan verzoeker.
Uitkomst: Het besluit van 1 februari 2011 wordt vernietigd, het bezwaar tegen de brief van 2 december 2010 wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.