ECLI:NL:CRVB:2012:BX0233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- M. Greebe
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Betwisting aanspraak op uitbetaling flex-uren bij beëindiging dienstverband
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV betreffende de toekenning van een WW-uitkering en de berekening van loon en vakantietoeslag, waarbij hij aanspraak maakte op betaling van flex-uren. De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard vanwege een onjuiste berekening van het vakantietegoed, maar oordeelde dat appellant geen recht had op betaling van flex-uren.
In hoger beroep betwistte appellant het oordeel over de flex-uren. De Raad stelde vast dat de arbeidsovereenkomst geen regeling bevatte voor de afrekening van flex-uren bij beëindiging van het dienstverband in de loop van het kalenderjaar. De Raad oordeelde dat in zo'n situatie een tijdsevenredige berekening van het aantal contractueel vastgestelde uren (832 per jaar) redelijk en billijk is.
De Raad concludeerde dat appellant op de beëindigingsdatum aanspraak had op uitbetaling van flex-uren indien hij meer dan 336 uren had gewerkt (5/12 deel van 832). Vastgesteld werd dat appellant minder dan 336 uren had gewerkt, ook met bijtelling van vakantie-uren. Daarom bestond geen aanspraak op betaling van flex-uren. Het beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Appellant had geen aanspraak op betaling van flex-uren omdat hij niet voldoende uren had gewerkt volgens een redelijke en billijke berekening naar rato.