ECLI:NL:CRVB:2012:BX0235

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5064 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:64 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens onterecht afgewezen uitstel en niet-ontvankelijkheid bezwaar Ziektewet

Appellant, werkzaam als buurtvoorlichter, kreeg per 23 augustus 2010 geen Ziektewetuitkering meer na een besluit van het UWV. Het bezwaar tegen dit besluit werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen. De rechtbank wees het verzoek om uitstel van de zitting af vanwege ziekte van de advocaat van appellant en verklaarde het bezwaar terecht niet-ontvankelijk.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het uitstelverzoek heeft afgewezen, omdat in geval van plotselinge ziekte van de enige advocaat en afwezigheid van vervanging de zitting geschorst had moeten worden. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank.

Wat betreft de termijnoverschrijding stelt de Raad vast dat ondanks een onvolledige rechtsmiddelverwijzing in het besluit, appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding verschoonbaar is. Appellant heeft meerdere pogingen gedaan het bezwaar tijdig in te dienen, maar niet aangetekend. Volgens vaste rechtspraak is dit risico voor rekening van appellant. De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

11/5064 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 juni 2011, 11/525 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 4 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Wiebes, kantoorgenoot van mr. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.H. Blind.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, werkzaam als buurtvoorlichter, heeft zich met klachten van oververmoeidheid op 11 mei 2010 ziek gemeld. Na afloop van de dienstbetrekking op 1 augustus 2010 is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. De verzekeringsarts S. Ramkisoen heeft appellant vanaf 23 augustus 2010 niet langer ongeschikt tot werken bevonden. Om die reden is appellant bij besluit van 20 augustus 2010 (primair besluit) per 23 augustus 2010 verder ziekengeld geweigerd.
1.2. Bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, het bezwaar van appellant tegen het primair besluit wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzoek om uitstel van de zitting van 21 juni 2011 in verband met ziekte van mr. Smit, gelet op het late tijdstip van dit verzoek, afgewezen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het bezwaar tegen het besluit van
20 augustus 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om uitstel van de zitting heeft afgewezen. Ook is gesteld dat de termijnoverschrijding in de bezwaarfase verschoonbaar is omdat naast een onvolledige rechtsmiddelverwijzing in het besluit van 20 augustus 2010 sprake was van bijkomende omstandigheden. Appellant kampte met psychische klachten en heeft diverse vergeefse pogingen gedaan om achter het adres van het Uwv te komen, waarnaar het bezwaarschrift moest worden gezonden.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ten onrechte heeft de rechtbank het verzoek van mr. Wiebes om uitstel van de zitting afgewezen. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 21 juni 2006, LJN AX9605, heeft overwogen, kan bij verlening van juridische bijstand door een klein advocatenkantoor zich de situatie voordoen dat er in geval van plotselinge ziekte geen vervanger is. In een dergelijk situatie ligt het op de weg van de rechtbank de behandeling van de zaak ter zitting met toepassing van artikel 8:64, eerst lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te schorsen en een nieuwe zittingsdag vast te stellen. Gelet op de toelichting van het advocatenkantoor bij fax van 21 juni 2011 aan de rechtbank, dat mr. Smit door acute medische problematiek niet in staat was ter zitting aanwezig te zijn en zijn (enige) kantoorgenoot in verband met andere procedures in Zevenaar was en daardoor buiten staat was hem te vervangen, doet zich een dergelijke situatie voor en heeft de rechtbank gehandeld in strijd met de goede procesorde. De Raad zal de aangevallen uitspraak derhalve om die reden vernietigen.
4.2. De gemachtigde van appellant is ter zitting van de Raad verschenen en heeft het standpunt van appellant toegelicht. In antwoord op de vraag ter zitting of de zaak zou moeten worden teruggewezen naar de rechtbank heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad. De Raad acht zich voldoende geïnformeerd en ziet derhalve, mede uit een oogpunt van finale geschilbeslechting, geen aanleiding om de zaak ter behandeling terug te wijzen naar de rechtbank.
4.3. Een gebrek in de rechtsmiddelverwijzing bij een besluit leidt, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van Raad van 23 juni 2011, LJN BR0151, in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, indien de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is.
4.4. Op het voorgedrukte formulier beslissing van arbeidsgeschiktheid in de zin van de ZW, het primaire besluit, is de bezwaartermijn van twee weken opgenomen en is als adres waarnaar het bezwaarschrift moest worden gezonden vermeld “UWV Afdeling Bezwaar en Beroep” zonder verdere adresvermelding.
4.5. Appellant heeft aangegeven dat hij meermalen met het Uwv telefonisch contact heeft gezocht om te informeren waar hij zijn bezwaarschrift kon indienen. Van dergelijke contacten is volgens de registratie van het klantcontactcentrum van het Uwv niet gebleken.
4.6. Voorts heeft appellant gesteld dat hij het primaire besluit voorzien van vraagtekens bij de ontbrekende adresvermelding tot vier keer toe aan het Uwv (Zwolle) heeft toegezonden, waarvan de vierde keer aangetekend. Het Uwv heeft dit bij brief van 27 december 2010 aangetekend verzonden besluit op 28 december 2010 ontvangen. Van eerdere toezendingen (binnen de bezwaartermijn) is het Uwv niets bekend. Volgens vaste rechtspraak komt dit bij niet-aangetekende toezending voor rekening en risico van appellant.
4.7. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van 17 januari 2011 niet tijdig is ingediend. Gelet op het vorenstaande is niet gebleken dat appellant als gevolg van psychische klachten buiten staat was zijn belangen te behartigen en dat de termijnoverschrijding een gevolg is van een gebrek in de rechtsmiddelverwijzing. De termijnoverschrijding is derhalve niet verschoonbaar.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 874,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 112,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) L. van Eijndthoven
NW