ECLI:NL:CRVB:2012:BX0245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-239 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor laatst verrichte werk

Appellante was laatst werkzaam als chrysantenpluizer toen zij zich op 1 september 2009 ziek meldde met hoofdpijn- en nekklachten. Het UWV besloot op 13 november 2009 haar ziekengeld te beëindigen omdat zij vanaf 16 november 2009 geschikt werd geacht voor haar laatst verrichte werk. Na bezwaar verklaarde het UWV dit besluit op 18 januari 2010 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de belasting van haar werk haar belastbaarheid te boven gaat, vooral door regelmatig bukken en buigen die haar nekklachten verergeren. Zij overhandigde aanvullende medische informatie van haar huisarts. De Raad beoordeelde het medisch onderzoek als zorgvuldig en de conclusie dat zij geschikt is voor haar functie als chrysantenpluizer als juist. Diverse medische rapporten bevestigen dat haar beperkingen niet zodanig zijn dat zij haar werk niet kan verrichten.

De Raad overwoog dat volgens artikel 19 Ziektewet Pro recht op ziekengeld bestaat bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. De Raad zag geen reden het medisch onderzoek of de uitkomst daarvan te betwisten en bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de Ziektewetuitkering terecht beëindigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante geschikt is voor haar laatst verrichte werk.

Uitspraak

11/239 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 december 2010, 10/1562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 4 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.W.A. Roelandschap, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als chrysantenpluizer toen zij zich per 1 september 2009 heeft ziek gemeld met hoofdpijn- en nekklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft zij op 13 november 2009 het spreekuur bezocht van de bedrijfsarts R.P. van Straaten. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 16 november 2009 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als chrysantenpluizer. Bij besluit van 13 november 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 16 november 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts D. van Arkel heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 november 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Appellante voert in hoger beroep kort weergegeven aan dat de belasting in haar laatst verrichte werk haar belastbaarheid te boven gaat. Met name door het regelmatig bukken en buigen komen haar nekspieren onder spanning te staan waardoor de hoofdpijnklachten juist verergeren. Ter onderbouwing van haar standpunt legt appellante informatie over van haar huisarts van 17 juni 2010.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek voor onzorgvuldig te houden dan wel de uitkomst daarvan onjuist te achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts Van Arkel het dossier heeft bestudeerd en appellante lichamelijk en psychisch heeft onderzocht. Daarbij had hij de beschikking over de informatie van de huisarts van 15 januari 2010, waaruit onder meer blijkt dat na onderzoek behoudens pijnlijke nekbewegingen en hypertone musculatuur geen afwijkingen werden gevonden. Appellante is daarop verwezen naar een neuroloog. In november 2009 heeft de huisarts pijnklachten in haar flanken en rug geduid als myogeen, waarbij voornamelijk de aanhechtingen erg drukgevoelig waren. Op grond van deze informatie en zijn eigen onderzoek is de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de beperkingen van appellante in voldoende mate zijn onderkend en dat deze beperkingen niet zodanig zijn dat zij daarmee niet in staat zou zijn haar laatst verrichte werk in de functie van chrysantenpluizer te kunnen verrichten. In het rapport van 7 september 2010 heeft bezwaarverzekeringsarts R. Blanker naar aanleiding van de ingebrachte medische stukken opgemerkt dat de op 3 mei 2010 vastgestelde hepatitis B-infectie de ervaren klachten en beperkingen van appellante per datum in geding niet verklaart. Tevens heeft hij te kennen gegeven dat fibromyalgie niet meer is dan een beschrijvende term voor ervaren pijnklachten van de weke delen, waarvoor men geen medische oorzaak kan aantonen. Bij fibromyalgie zal uitbreiding van de activiteiten tot een niveau dat leidt tot de ervaring van pijnklachten, per definitie niet kunnen leiden tot schade van het bewegingsapparaat. De in hoger beroep ingebrachte informatie van de huisarts van
17 juni 2010 bevestigt dit standpunt, nu de reumatoloog stelt dat er geen aanwijzingen zijn voor een inflammatoire reumatische aandoening in engere zin, maar dat het beeld het beste lijkt te passen bij een chronisch niet inflammatoir tendinomyogeen pijnsyndroom c.q. fibromyalgie. Appellante heeft daarbij het advies gekregen in beweging te blijven en piekbelastingen te vermijden. Bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft ten slotte in het rapport van 16 maart 2011 te kennen gegeven dat de reumatoloog geen afwijkingen op zijn vakgebied heeft vastgesteld en dat hij de spier- en gewrichtsklachten niet relateert aan een hepatitis B-infectie. Op grond van het vorenstaande acht de Raad dat het Uwv inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom appellante per 16 november 2009 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk in de functie van chrysantenpluizer.
5. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2012.
(getekend) C.P.J. Goorden
(getekend) L. van Eijndthoven
EK