ECLI:NL:CRVB:2012:BX0995

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5425 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stellen aanvraag bijstand wegens niet tijdig overleggen gegevens

Appellant vroeg op 24 november 2009 bijstand aan volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Na een eerste gemiste afspraak vond alsnog een gesprek plaats waarbij appellant het aanvraagformulier ondertekende en een termijn kreeg om aanvullende gegevens te leveren. Ondanks meerdere herinneringen, waaronder een huisbezoek, werden de gevraagde gegevens niet tijdig aangeleverd.

Het college besloot daarom op 14 januari 2010 de aanvraag niet te behandelen op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 22 april 2010 ongegrond verklaard door het college en later bevestigd door de rechtbank Amsterdam.

In hoger beroep stelde appellant dat hij niet tijdig op de hoogte was gebracht van de gevraagde aanvullende informatie en dat de aanvraag al op 31 juli 2009 was ingediend. De Raad oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat was de gegevens binnen de hersteltermijn te verstrekken en dat het op zijn weg lag het college tijdig te informeren bij eventuele problemen.

De Raad concludeerde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig overleggen van benodigde gegevens.

Uitspraak

10/5425 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2010, 10/2611 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)
Datum uitspraak: 10 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.J.P. Liefting, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Liefting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft zich op 24 november 2009 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen.
1.2. Bij brief van 7 december 2009 is appellant uitgenodigd voor een gesprek met zijn klantmanager op 15 december 2009. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Dit gesprek heeft alsnog plaatsgevonden op 23 december 2009. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat zijn bewindvoerder in het kader van de op hem van toepassing zijnde wettelijke schuldsanering de uitnodiging voor 15 december 2009 te laat naar hem heeft doorgestuurd. Tijdens het gesprek heeft appellant het aanvraagformulier voor de bijstand ondertekend en is hem tot 28 december 2009 de tijd gegeven om een aantal gegevens te overleggen die nodig zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Bij brief van 28 december 2009, die persoonlijk aan appellant is meegegeven, is hem een termijn tot 11 januari 2010 gegeven om de nog ontbrekende gegevens te overleggen. Op 5 januari 2010 heeft een huisbezoek op het adres van appellant aan [het] [adres] te Amstelveen plaatsgevonden. Tijdens dit huisbezoek is appellant gewezen op de hem tot 11 januari 2010 gegeven termijn voor het inleveren van de gevraagde stukken.
1.3. Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het college besloten de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het een deel van de gevraagde gegevens niet heeft ontvangen waardoor de afhandeling van de aanvraag niet kan worden afgerond.
1.4. Bij besluit van 22 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat hij op 31 juli 2009 in het gemeentehuis van Amstelveen bijstand heeft willen aanvragen. Appellant heeft toen een aanvraagformulier voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet meegekregen, ingevuld en ingeleverd. Dit formulier is vervolgens doorgestuurd naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waar het op 6 augustus 2009 is ontvangen. Nadat het Uwv de aanvraag had teruggestuurd naar het college, is appellant om nadere informatie gevraagd. Appellant heeft aangevoerd niet eerder dan in oktober 2009 op de hoogte te zijn gebracht van dit informatieverzoek. Dit verzoek zou, zo is ter zitting toegelicht, mogelijk naar de bewindvoerder van appellant zijn gestuurd. Appellant is dan ook van mening dat hem met ingang van 31 juli 2009 bijstand dient te worden toegekend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de bij de brief van 28 december 2009 gevraagde gegevens voor de beoordeling van de aanvraag om bijstand nodig waren. De gevraagde gegevens zijn niet verstrekt binnen de in de brief van 28 december 2009 gegeven hersteltermijn. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om de gevraagde gegevens binnen de gestelde hersteltermijn te verstrekken. Mocht dit laatste overigens het geval zijn geweest, dan had het op de weg van appellant gelegen het college binnen de hem gegeven hersteltermijn hiervan op de hoogte te stellen.
4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
4.4. Hetgeen appellant over de ingangsdatum van de bijstand heeft aangevoerd gaat de omvang van dit geding te buiten en behoeft daarom geen bespreking.
4.5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en M. Hillen en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2012.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) J. van Dam
HD