ECLI:NL:CRVB:2012:BX1241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6730 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wuv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer op grond van Wuv

Appellant, geboren in 1940 uit een gemengd huwelijk met een joodse vader, vroeg om een uitkering als vervolgingsslachtoffer of als gelijkgestelde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan en zijn omstandigheden niet uitzonderlijk waren.

De Raad overwoog dat appellant niet betwist dat hij geen vervolging heeft ondergaan, waardoor de kernvraag was of hij op grond van artikel 3, tweede lid, Wuv gelijkgesteld kon worden. Verweerder hanteert als hoofdregel dat de oorlogsomstandigheden duidelijk ongunstiger moeten zijn dan die van andere gemengd gehuwden en hun kinderen, bijvoorbeeld door het meemaken van razzia’s, huiszoekingen of het hebben van joodse onderduikers.

Uit het dossier en de zitting bleek niet dat appellant zulke uitzonderlijke omstandigheden had. Zijn vader was tewerkgesteld in een werkkamp, wat niet afweek van soortgelijke gevallen. De Poolse/Duitse afkomst van de moeder leidde niet tot een kwetsbare positie. Appellant was niet aanwezig bij razzia’s waarbij familieleden werden weggevoerd. Ook waren er geen duidelijke levensloopproblemen toe te schrijven aan de oorlog, gezien zijn schoolloopbaan, militaire dienst en werkzame leven.

Daarom was het besluit van verweerder om appellant niet gelijk te stellen met vervolging gegrond. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij geen vervolging heeft ondergaan en zijn oorlogsomstandigheden niet uitzonderlijk zijn.

Uitspraak

11/6730 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 12 juli 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 oktober 2011, kenmerk BZ01338079 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Daar is appellant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Appellant is in 1940 geboren uit een zogenoemd gemengd huwelijk, waarbij de vader de joodse partner was. In november 2010 heeft appellant bij verweerder een aanvraag ingediend om als vervolgde dan wel onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv als gelijkgesteld met de vervolgde, in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.
1.2. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 28 april 2011. Na gemaakt bezwaar is die afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit. In dat verband is overwogen dat appellant geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan en dat de oorlogsomstandigheden van appellant niet zodanig uitzonderlijk zijn dat hij met de vervolgde kan worden gelijkgesteld.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Door appellant wordt niet betwist dat hij geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder onder toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv appellant met de vervolgde gelijk had moeten stellen.
2.2. Bij het gebruik van de in artikel 3, tweede lid, gegeven bevoegdheid hanteert verweerder in een geval als dat van appellant de hoofdregel dat de omstandigheden waaronder de betrokkene de oorlogsjaren heeft doorgebracht zich duidelijk ongunstig dienen te hebben onderscheiden van die van andere gemengd gehuwden en hun kinderen. Hiertoe wordt gerekend het meemaken van de wegvoering van (andere) familieleden in de buurt waarin de betrokkene woont, het meemaken van razzia’s en vergelijkbare omstandigheden, het meemaken van huiszoekingen, het in huis hebben van joodse onderduikers, maar ook het aanwezig zijn van duidelijke problemen bij de betrokkene op het terrein van opleiding werk en relaties vanaf de oorlog die aan de omstandigheden van de oorlogsjaren kunnen worden toegeschreven.
2.3. Uit de gedingstukken en de ter zitting gegeven toelichting is ook de Raad niet gebleken dat appellant verkeerde in duidelijke ongunstigere omstandigheden in voornoemde zin. Uit de gegevens van het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade Uitkeringen (CADSU) komt naar voren dat de vader van appellant sterplichtig was en dat hij tewerkgesteld is geweest in het werkkamp Vledder. Deze tewerkstelling en de onderduik van zijn vader, uit vrees voor wat er zou kunnen gebeuren, onderscheidt zich niet van categoriegenoten. Het door verweerder opvragen van het volledige CADSU-dossier kon niets toevoegen aan de al bekende omstandigheden, voor zover in het kader van de Wuv relevant. Dat de Pools/Duitse afkomst van de moeder zou hebben geleid tot een kwetsbare positie van het gezin kan niet worden onderschreven. In de overgelegde pagina’s van het boek “Jodenkampen” wordt namelijk beschreven dat de moeder vanwege haar afkomst door de Duitsers juist ongemoeid werd gelaten. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij niet aanwezig is geweest bij de razzia’s waarbij familieleden zijn weggevoerd. Bij de razzia die in de ouderlijke woning heeft plaats gehad en waarbij hij aanwezig was zijn geen personen weggevoerd.
2.4. Evenmin blijkt dat zich vanaf de oorlog bij appellant duidelijke problemen in zijn levensloop hebben voorgedaan die toegeschreven moeten worden aan de omstandigheden tijdens de oorlog. Zo heeft appellant na de lagere school met succes de MULO gevolgd, heeft hij de militaire dienst doorlopen en heeft hij gewerkt bij de Luchtmacht. In 1962 is hij gaan werken voor Honeywell en bij die werkgever is hij in 2002 met vervroegd pensioen gegaan.
2.5. Het voorgaande brengt mee dat verweerder op goede gronden heeft kunnen komen tot het standpunt om appellant niet met de vervolgde gelijk te stellen.
2.6. Het beroep van appellant moet dan ook ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) M.C. Nijholt
HD