ECLI:NL:CRVB:2012:BX1241
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag gelijkstelling als vervolgingsslachtoffer op grond van Wuv
Appellant, geboren in 1940 uit een gemengd huwelijk met een joodse vader, vroeg om een uitkering als vervolgingsslachtoffer of als gelijkgestelde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant geen vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan en zijn omstandigheden niet uitzonderlijk waren.
De Raad overwoog dat appellant niet betwist dat hij geen vervolging heeft ondergaan, waardoor de kernvraag was of hij op grond van artikel 3, tweede lid, Wuv gelijkgesteld kon worden. Verweerder hanteert als hoofdregel dat de oorlogsomstandigheden duidelijk ongunstiger moeten zijn dan die van andere gemengd gehuwden en hun kinderen, bijvoorbeeld door het meemaken van razzia’s, huiszoekingen of het hebben van joodse onderduikers.
Uit het dossier en de zitting bleek niet dat appellant zulke uitzonderlijke omstandigheden had. Zijn vader was tewerkgesteld in een werkkamp, wat niet afweek van soortgelijke gevallen. De Poolse/Duitse afkomst van de moeder leidde niet tot een kwetsbare positie. Appellant was niet aanwezig bij razzia’s waarbij familieleden werden weggevoerd. Ook waren er geen duidelijke levensloopproblemen toe te schrijven aan de oorlog, gezien zijn schoolloopbaan, militaire dienst en werkzame leven.
Daarom was het besluit van verweerder om appellant niet gelijk te stellen met vervolging gegrond. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij geen vervolging heeft ondergaan en zijn oorlogsomstandigheden niet uitzonderlijk zijn.