ECLI:NL:CRVB:2012:BX1903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek kwijtschelding openstaande vordering wegens onvoldoende dringende redenen
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om kwijtschelding van een openstaande vordering. Dit verzoek werd bij besluit van 30 september 2010 afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn hoge schulden in verhouding tot zijn inkomen een dringende reden vormden om verdere invordering te staken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand het college bevoegd is om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Deze bevoegdheid is nader ingevuld in de Beleidsregels Wet werk en bijstand, waarin is bepaald dat het college kan besluiten af te zien van invordering indien sprake is van dringende redenen. De Raad stelde vast dat de door appellant aangevoerde schulden geen dergelijke dringende reden opleveren, mede omdat schuldenaren beschermd worden door regels omtrent de beslagvrije voet en zij minimaal 90% van de toepasselijke bijstandsnorm behouden.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de openstaande vordering wordt afgewezen wegens het ontbreken van dringende redenen.