ECLI:NL:CRVB:2012:BX1903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2403 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 Wet werk en bijstandArt. 6.3 Beleidsregels Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding openstaande vordering wegens onvoldoende dringende redenen

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om kwijtschelding van een openstaande vordering. Dit verzoek werd bij besluit van 30 september 2010 afgewezen en gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn hoge schulden in verhouding tot zijn inkomen een dringende reden vormden om verdere invordering te staken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand het college bevoegd is om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Deze bevoegdheid is nader ingevuld in de Beleidsregels Wet werk en bijstand, waarin is bepaald dat het college kan besluiten af te zien van invordering indien sprake is van dringende redenen. De Raad stelde vast dat de door appellant aangevoerde schulden geen dergelijke dringende reden opleveren, mede omdat schuldenaren beschermd worden door regels omtrent de beslagvrije voet en zij minimaal 90% van de toepasselijke bijstandsnorm behouden.

Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de openstaande vordering wordt afgewezen wegens het ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

11/2403 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2011, 10/6226 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 17 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 30 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2010 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellant om kwijtschelding van een nog openstaande vordering bij het college afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de omstandigheid dat hij in verhouding tot zijn maandelijkse inkomsten onevenredig hoge schulden heeft, een dringende reden oplevert om van verdere invordering af te zien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 58 van Pro de Wet werk en bijstand, voor zover hier van belang, kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van - verdere - terugvordering (lees: invordering) moet hierin besloten worden geacht.
4.2. Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college de Beleidsregels Wet werk en bijstand (beleidsregels) vastgesteld en gepubliceerd. Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder f, van de beleidsregels kan het college besluiten van gehele of gedeeltelijke invordering af te zien indien de belanghebbende een beroep doet op de aanwezigheid van dringende redenen en dit beroep door het college is gehonoreerd.
4.3. Hetgeen appellant heeft gesteld over zijn schulden levert geen dringende reden op om van - verdere - invordering af te zien. Hierbij is van belang dat een belanghebbende als schuldenaar de bescherming heeft, of kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet en dat hij steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm.
4.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2012.
(get.) W.F. Claessens.
(get.) J.T.P. Pot.
HD