ECLI:NL:CRVB:2012:BX2235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WGA-vervolguitkering wegens geen toename arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds 1 oktober 2007 een loongerelateerde WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Het UWV stelde bij besluit van 7 september 2010 vast dat deze uitkering eindigt op 2 januari 2011, waarna appellant aanspraak zou maken op een WGA-vervolguitkering berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Na een melding van vermeende toename van arbeidsongeschiktheid op 20 september 2010, voerde het UWV verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit en concludeerde bij besluit van 4 november 2010 dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef, waardoor de WGA-vervolguitkering niet werd verhoogd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle relevante medische informatie was meegewogen. De verklaring van de huisarts dat appellant niet kan werken, werd minder zwaar gewogen dan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de medische beperkingen van appellant waren onderschat en oordeelde dat appellant geschikt was voor de voorgelegde functies.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat onvoldoende gewicht was toegekend aan de huisartsverklaring. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de motivering van de rechtbank en het UWV, waarbij de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en het arbeidskundig onderzoek bevestigden dat appellant geschikt is voor bepaalde functies met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 39,41%. De Raad vond geen aanleiding om de eerdere beslissing te wijzigen en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op verhoging van zijn WGA-vervolguitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.