Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BX2510

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5125 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 12 Wet werk en bijstandArtikel 10 Algemene bijstandswetArtikel 13, eerste lid, onder f, Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor noodzakelijke bestaanskosten jongmeerderjarige met Wajong-uitkering

Appellante, geboren in 1990 en ontvanger van een Wajong-uitkering, diende op 15 september 2009 een aanvraag in voor bijzondere bijstand wegens hogere kosten van het bestaan. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo wees deze aanvraag op 15 december 2009 af, een besluit dat in bezwaar werd gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep ging. Zij stelde dat zij onvoldoende inkomsten had om in haar dagelijkse levensonderhoud te voorzien. De Centrale Raad van Beroep onderzocht de aanvraagperiode van 15 september tot 15 december 2009 en bevestigde dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid op de aanvrager rust.

De Raad oordeelde dat het college een adequaat onderzoek had verricht naar de noodzakelijke bestaanskosten en dat appellante met haar Wajong-uitkering en ontvangen toeslagen in haar kosten kan voorzien. Het college hield terecht rekening met het beslagvrije voetprincipe en de werkelijke energiekosten. Appellante had onvoldoende gemotiveerd waarom het leefgeld van €40 per week niet toereikend zou zijn. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand is afgewezen omdat appellante voldoende in haar noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien.

Uitspraak

10/5125 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 september 2010, 10/570 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 24 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 mei 2012 waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Appellante, geboren op 30 augustus 1990, ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Zij heeft op 15 september 2009 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in verband met hogere kosten van het bestaan.
1.3. Bij besluit van 15 december 2009, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 april 2010, heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken van hogere kosten van het bestaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden. Zij voert, samengevat, aan dat zij heeft aangetoond dat zij onvoldoende inkomsten heeft om in haar dagelijkse levensonderhoud te voorzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De hier te beoordelen periode loopt van 15 september 2009 tot en met 15 december 2009.
4.2. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager.
4.3. Artikel 12 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB) luidde in te beoordelen periode als volgt:
Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.
4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen inzake artikel 10 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) (CRvB 27 juni 2000, LJN ZB8840), rust bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het bijstandsverlenend orgaan de plicht om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager. Hierbij is een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager nodig.
4.5. Nu artikel 12 van Pro de WWB in essentie niet anders luidt dan artikel 10 van Pro de Abw, en niet is gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen, blijft de rechtspraak inzake de toepassing van artikel 10 van Pro de Awb haar gelding behouden onder de WWB.
4.6. Uit de gedingstukken blijkt dat het college een onderzoek als bedoeld in 4.4 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Uit dit onderzoek blijkt dat appellante met haar Wajong uitkering en de door haar ontvangen huur- en zorgtoeslag in haar noodzakelijke bestaanskosten kan voorzien. Gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB, gaat het college daarbij terecht voorbij aan het op de Wajong uitkering gelegde derdenbeslag in verband met de aflossing van schulden. Appellante of haar bewindvoerder kan bewerkstelligen dat dit beslag niet in strijd met de zogenoemde beslagvrije voet wordt geëffectueerd. Daarnaast gaat het college op goede gronden uit van een bedrag van € 97,76 per maand aan energiekosten, omdat dit het bedrag is dat appellante feitelijk is verschuldigd. Dat het voorschot € 150,00 per maand bedraagt, doet hieraan niet af. Het ligt op de weg van appellante of haar bewindvoerder om, indien nodig, dit voorschot te doen afstemmen op de werkelijke kosten. Tot slot heeft het college voldoende gemotiveerd waarom bij het vaststellen van de noodzakelijke bestaanskosten rekening is gehouden met een bedrag van € 40,-- per week voor leefgeld. Appellante heeft niet nader gemotiveerd waarom dit bedrag voor haar niet toereikend is. Dit betekent dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
4.7. Uit bovenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2012.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) N.M. van Gorkum
HD