ECLI:NL:CRVB:2012:BX3189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking ontheffing arbeidsverplichtingen bij bijstandsuitkering
Appellante ontvangt sinds 1994 een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was enkele jaren gedeeltelijk ontheven van arbeidsverplichtingen vanwege medische redenen. Na een heronderzoek in 2008 vroeg het college advies aan Reaned over haar arbeidsmogelijkheden. Op basis van medisch en arbeidskundig advies werd besloten dat appellante weer volledig aan haar arbeidsverplichtingen moest voldoen, met de beperking dat zij enkel lichte fysieke werkzaamheden kan verrichten.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het college terecht op het advies van Reaned mocht afgaan, dat inzichtelijk en deugdelijk onderbouwd was. Psychische klachten bij appellante waren onvoldoende onderbouwd en de zorg voor haar echtgenoot, die niet hulpbehoevend was, vormde geen reden voor ontheffing.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar echtgenoot arbeids- en trajectongeschikt is vanwege ernstige fysieke en psychische klachten, met een recent medisch advies ter onderbouwing. De Raad stelde echter dat het medisch advies van Hupkens, waarin werd geconcludeerd dat voortdurende aanwezigheid van appellante niet noodzakelijk is, overtuigend is en geen aanleiding geeft dit te betwijfelen. Het college heeft terecht geoordeeld dat er geen dringende redenen zijn voor ontheffing. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de ontheffing van arbeidsverplichtingen introk wegens het ontbreken van dringende redenen.