ECLI:NL:CRVB:2012:BX3338
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen appelverbod bij uitspraak voorzieningenrechter WWB ongegrond verklaard
Appellant heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin werd geoordeeld dat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake voorlopige voorzieningen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) geen hoger beroep openstaat. Appellant betoogde dat dit appelverbod in strijd is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dat zijn persoonlijke omstandigheden een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen.
De Raad overweegt dat artikel 6 EVRM Pro geen recht op hoger beroep garandeert en dat het appelverbod in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder d, van de Beroepswet niet in strijd is met dit artikel. Verder is volgens vaste jurisprudentie alleen bij evidente schending van fundamentele procesbeginselen een doorbreking van het appelverbod mogelijk, hetgeen appellant niet aannemelijk heeft gemaakt.
De Raad wijst ook het civiele recht als vergelijkingsgrond niet aan om het appelverbod te doorbreken. Gelet hierop verklaart de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond en veroordeelt appellant niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet tegen het appelverbod bij de uitspraak van de voorzieningenrechter inzake WWB is ongegrond verklaard.