ECLI:NL:CRVB:2012:BX3352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3707 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 1 WWBArt. 15 lid 1 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor reeds betaalde kosten en fiets met trapondersteuning

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een wasmachine, koelvriescombinatie, matrassen en een fiets met trapondersteuning. De kosten voor de wasmachine, koelvriescombinatie en matrassen waren al voldaan vóór de aanvraag, waardoor geen bijstand kon worden verleend. Voor de fiets met trapondersteuning geldt de Wet maatschappelijke ondersteuning als voorliggende voorziening, waardoor ook hiervoor geen bijzondere bijstand wordt toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het college wees het bezwaar af. Appellant voerde aan dat het feit dat de kosten via een lening waren voldaan, geen belemmering voor bijstand zou moeten zijn, verwijzend naar een eerdere uitspraak. De Raad oordeelde echter dat deze situatie niet vergelijkbaar was omdat de lening ná de aanvraag werd afgesloten in die eerdere zaak.

De Raad concludeerde dat geen uitzonderingen op de hoofdregel waren aangetoond en dat de afwijzing terecht was. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand wordt afgewezen omdat de kosten al voldaan waren en voor de fiets een voorliggende voorziening geldt.

Uitspraak

10/3707 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 juni 2010, 10/108 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak 31 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W. de Jong.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 26 augustus 2009 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in de gemaakte kosten voor een viertal aankopen. De aankopen betreffen een wasmachine van € 325,-- op 3 december 2008, een koelvriescombinatie van € 522,45 op 14 april 2009, matrassen van ongeveer € 600,-- omstreeks 14 april 2009 en een fiets met trapondersteuning van € 2295,-- op 20 augustus 2009. Appellant heeft deze kosten door middel van een doorlopend krediet voldaan. Hierop lost appellant maandelijks € 100,50 af. Bij besluit van 16 september 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.2. Bij besluit van 21 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 16 september 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kosten voor de wasmachine, de koelvriescombinatie en de matrassen ten tijde van de aanvraag al waren voldaan, zodat geen plaats is voor bijstandsverlening. Deze kosten deden zich immers niet meer voor. De kosten van de aanschaf van de fiets met trapondersteuning komen evenmin voor bijstandsverlening in aanmerking, omdat aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), die gezien aard en doel toereikend en passend wordt geacht. Voor de kosten van de aanschaf van de fiets met trapondersteuning geldt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) als voorliggende voorziening. De omstandigheid dat de door de echtgenote van appellant terzake ingediende Wmo-aanvraag is afgewezen, maakt dit niet anders. Niet is gebleken van zeer dringende redenen op grond waarvan alsnog tot bijstandsverlening moet worden overgegaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij, omdat hij niet beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien, een lening heeft moeten afsluiten ter financiering van zijn aankopen. Appellant leidt uit de uitspraak van de Raad van 18 november 2008, LJN BG4791, af dat de omstandigheid dat de kosten, waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, door middel van een lening zijn voldaan alvorens de aanvraag om bijstandsverlening bij het college is ingediend, niet aan de verlening van bijzondere bijstand in de weg hoeft de staan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vaststaat dat de kosten voor de wasmachine, de koelvriescombinatie en de matrassen, waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd, in de periode van december 2008 tot en met april 2009 zijn gemaakt en zijn voldaan. Dit betekent dat reeds vóór de datum van aanvraag is voorzien in deze kosten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in die situatie, gelet op artikel 11, eerste lid, van de WWB, in beginsel geen plaats is voor bijstandsverlening in die kosten en dat niet is gebleken van omstandigheden die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen.
4.2. De situatie van appellant is niet vergelijkbaar met de situatie in de onder 3 genoemde uitspraak, LJN BG4791. Deze uitspraak ziet op de situatie dat ná het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand een lening wordt afgesloten om in de gevraagde kosten te voorzien. Het beroep van appellant op deze uitspraak treft daarom geen doel.
4.3. Wat betreft de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand in de gemaakte kosten voor de fiets met trapondersteuning, heeft de rechtbank terecht het onder 1.2 weergegeven standpunt van het college op dit punt onderschreven.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) V.C. Hartkamp
HD