ECLI:NL:CRVB:2012:BX3369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6313 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van woninginrichting, waaronder vloerbedekking, gordijnen en meubels. Het college wees de aanvraag af omdat het ging om duurzame gebruiksgoederen en geen sprake was van bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat hij vanwege schulden niet had kunnen reserveren voor deze kosten en daardoor onder het bijstandsniveau leefde. De Raad overwoog dat volgens artikel 35 WWB Pro bijzondere bijstand alleen wordt toegekend voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit reguliere reservering kunnen worden voldaan.

De Raad stelde vast dat appellant sinds 2005 in zijn woning woonde, waardoor de kosten niet onvoorzienbaar zijn. Schulden en het ontbreken van reserveringsruimte vanwege terugbetalingsverplichtingen worden niet als bijzondere omstandigheden erkend. Zonder andere bijzondere omstandigheden is het hoger beroep ongegrond en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

10/6313 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2010, 10/3608 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 31 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.R.H. Swane, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Carter.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 26 januari 2010 bij het college een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de kosten van inrichting van zijn woning. Het betreft de kosten van vloerbedekking, gordijnen, behang, een bank en tafels en stoelen. Bij besluit van 9 april 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.2. Bij besluit van 21 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 9 april 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen bijstand wordt verstrekt voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen. Alleen in zeer bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken. Een dergelijke zeer bijzondere situatie is hier niet aan de orde.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij zijn standpunt gehandhaafd dat hij voor deze noodzakelijke kosten niet heeft kunnen reserveren omdat hij veel schulden heeft. Hij leeft daardoor onder het bijstandsniveau.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is - voor zover hier van belang - bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en met name of appellant de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren voor deze kosten. De kosten van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reserveren, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Het college heeft er terecht op gewezen dat appellant al sinds 2005 in zijn huis woonde en dat het daarom niet gaat om onvoorzienbare kosten. Appellant had voldoende inkomen om voor die kosten te kunnen reserveren. De grond dat appellant vanwege schulden niet in de gelegenheid is geweest om te reserveren treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 6 juli 2010, LJN BN0624), mag het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die in het individuele geval bijstandverlening rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet op de WWB worden afgewenteld. Appellant heeft geen andere omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35 van Pro de WWB.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) J.T.P. Pot
RB