ECLI:NL:CRVB:2012:BX3576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vervolguitkering WIA na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had vastgesteld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waarna de uitkering werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de beoordeling van de verzekeringsartsen als juist werden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij ernstig ziek is en niet zonder de uitkering kan rondkomen, maar bracht geen aanvullende medische stukken in. De Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat de arbeidskundige schatting was aangepast: enkele eerder als passend beschouwde functies vielen af en de beoordeling was gebaseerd op drie nieuwe functies. Op basis hiervan werd haar arbeidsongeschiktheid berekend op 24,05%, waardoor zij geacht wordt de voorgehouden functies te kunnen vervullen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt. Indien de gezondheidstoestand van appellante na de datum van intrekking verslechtert, kan zij een nieuw onderzoek aanvragen.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-vervolguitkering wordt bevestigd omdat appellante geacht wordt passende functies te kunnen vervullen.