ECLI:NL:CRVB:2012:BX3794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en terugvordering
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van werkzaamheden als huishoudelijke hulp. Het bestuur stelde dat appellante sinds 1 december 2004 tot en met 2007 werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden, wat de rechtmatigheid van de bijstand aantastte.
De rechtbank had de intrekking en terugvordering bevestigd, maar stelde dat de werkzaamheden voor een specifieke familie vanaf 1 december 2006 niet voldoende waren bewezen. Appellante voerde hoger beroep tegen dit oordeel, met name over de periode vanaf december 2006.
De Raad concludeert dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden, maar dat het niet aannemelijk is dat zij al vanaf 1 december 2006 werkzaamheden verrichtte. De verklaringen over de werkzaamheden waren inconsistent en wisselend. Verder was er geen ondubbelzinnige toezegging dat een betaling van € 10.000 voldoende was voor terugvordering. Dringende redenen om van terugvordering af te zien ontbraken. Daarom vernietigt de Raad het besluit voor de periode december 2006 en januari 2007 en beveelt het bestuur een nieuw besluit te nemen over de terugvordering.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over december 2006 en januari 2007 wordt vernietigd en het bestuur moet een nieuw besluit nemen.