ECLI:NL:CRVB:2012:BX4035
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- M.F. Wagner
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging WWIK-uitkering
Appellant ontving sinds 2003 een WWIK-uitkering die op 27 juli 2006 onrechtmatig werd beëindigd door het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Hoewel de rechtbank en de Raad het besluit vernietigden, ontving appellant geen nabetaling. Hij vorderde vervolgens schadevergoeding wegens het gemis aan investeringsmogelijkheden in zijn kunstenaarspraktijk.
De Raad stelt vast dat de onrechtmatigheid van het besluit en de toerekening daarvan aan het college vaststaan. Echter, vergoeding van schade vereist een concreet verband tussen het onrechtmatige besluit en de geleden schade, wat appellant niet heeft kunnen aantonen. Zijn stelling dat hij inkomsten misliep en daardoor niet kon investeren, is onvoldoende onderbouwd.
De Raad overweegt dat de gevolgen van de onrechtmatige intrekking primair terug te voeren zijn op de vertraagde uitbetaling, waarvoor wettelijke rente geldt, maar deze is niet aan de orde. Het verzoek tot vergoeding van andere schade wordt afgewezen omdat appellant geen aannemelijk bewijs heeft geleverd van daadwerkelijke inkomensschade of investeringsverlies.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Maastricht, en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen omdat appellant geen aannemelijk bewijs heeft geleverd van schade door het onrechtmatige besluit.