ECLI:NL:CRVB:2012:BX5664

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-3245 WAZ + 12-3246 WAZ-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:88 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening en voorlopige voorziening inzake vaststellingsovereenkomst UWV

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een uitspraak van 16 mei 2012 waarin was geoordeeld dat een vaststellingsovereenkomst met het UWV een volledige kwijting inhield voor de geleden schade, inclusief belastingschade.

De Raad heeft beoordeeld dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet nieuw zijn in de zin van artikel 8:88 Awb Pro, omdat deze ofwel reeds bekend waren, na de uitspraak zijn ontstaan, of geen aanleiding geven tot een andere uitspraak. De stukken van de Belastingdienst konden bovendien geen andere uitkomst rechtvaardigen omdat deze niet partij waren bij de overeenkomst.

Omdat de situatie zich leent voor onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak en er geen spoedeisend belang is, werd tevens het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

De Raad benadrukt dat het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Het verzoek wordt daarom ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening en het verzoek tot voorlopige voorziening worden afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

12/3245 WAZ, 12/3246 WAZ-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 23 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Bij brief van 5 juni 2012, aangevuld bij brief van 6 augustus 2012, heeft verzoeker verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 mei 2012, nr. 11/5446 WAZ. Verzoeker heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2012, waar verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1. Bij de hiervoor vermelde uitspraak van 16 mei 2012 heeft de Raad geoordeeld dat de met het aanbod en de acceptatie tot stand gekomen, in juni 2009 ondertekende, vaststellingsovereenkomst voor het Uwv de verplichting meebracht om ten titel van schadevergoeding aan verzoeker een bedrag te betalen van € 25.000,00 en dat deze overeenkomst verder inhield dat verzoeker na ontvangst van dit bedrag aan schadevergoeding in verband met het geschil, zoals partijen dit in het kader van de mediation omschreven hadden, van het Uwv niets meer te vorderen had in verband met door hem ondervonden schade. De Raad heeft verzoeker niet gevolgd in zijn standpunt dat de verleende kwijting er niet aan in de weg staat dat hij alsnog aanspraak kan maken op vergoeding van door hem geleden belastingschade door het Uwv.
2. Het verzoek van verzoeker strekt ertoe dat alsnog wordt vastgesteld dat het Uwv de door hem geleden belastingschade vergoedt.
3. Op grond van artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met de artikelen 8:88, tweede lid, en 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien een verzoek is gedaan om herziening van een uitspraak van de Raad, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op grond van artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze situatie zich hier voor en zijn er ook overigens geen beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
5. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan een verzoek om herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak slechts slagen als er feiten en omstandigheden worden aangevoerd die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
6. In de door verzoeker overgelegde stukken ziet de voorzieningenrechter geen feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb. De bijlagen bij het verzoekschrift van 5 juni 2012 betreffen voor een deel stukken die in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 16 mei 2012 al waren overgelegd en voor het overige feiten en omstandigheden die ofwel hebben plaatsgevonden na de uitspraak van de Raad, ofwel - zoals de brief van Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam van 20 juni 2011 - ten tijde van de uitspraak bij verzoeker al bekend waren of bekend konden zijn. Met betrekking tot de bij de brief van 6 augustus 2012 gevoegde stukken, afkomstig van de Belastingdienst, geldt dat de daarin vermelde feiten, waren zij bij de Raad bekend geweest, niet tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden omdat de Belastingdienst geen partij is geweest bij (de totstandkoming van) de vaststellingsovereenkomst.
7. Verzoeker is het in feite niet eens met het door de Raad in zijn uitspraak van 16 mei 2012 gegeven oordeel, maar dit kan niet leiden tot een nieuwe beoordeling van de zaak. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over het oordeel dat de Raad daarover reeds heeft gegeven te openen. Het verzoek om herziening dient daarom als ongegrond te worden afgewezen.
8. Nu uitspraak wordt gedaan in hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
9. Er bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 16 mei 2012 in zaaknummer 11/5446 WAZ af;
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb af.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) R.L. Rijnen
NW