ECLI:NL:CRVB:2012:BX5903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellante was sinds 2002 arbeidsongeschikt wegens klachten aan het bewegingsapparaat en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Vanaf juni 2008 meldde zij zich ziek en kreeg zij een Ziektewet-uitkering toegekend. Verzekeringsartsen stelden vast dat haar beperkingen waren toegenomen, maar dat zij toch geschikt bleef voor ten minste één functie, namelijk archiefmedewerker, die geen belastende werkzaamheden kent.
Het UWV besloot daarom de Ziektewet-uitkering per 21 december 2009 te beëindigen. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dit oordeel en ook in hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege lichamelijke en geestelijke klachten niet in staat was tot arbeid. Zij overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder een brief van een psychosomatisch fysiotherapeut.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsartsen op een inzichtelijke wijze hadden onderbouwd dat appellante geschikt was voor haar arbeid, rekening houdend met alle relevante medische informatie. De nieuwe stukken boden geen aanleiding tot een ander oordeel, mede omdat de behandeling bij de fysiotherapeut pas ruim na de datum van het besluit was gestart. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.