ECLI:NL:CRVB:2012:BX6550

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-320 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 WWArt. 64 WWHoofdstuk IV Werkloosheidswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet tijdige loonvordering na faillissement werkgever

Appellant was werkzaam als zelfstandig kok en stopte wegens ziekte met werken. Zijn werkgever ging failliet op 17 februari 2011, waarna de curator de arbeidsovereenkomst op 22 februari 2011 opzegde. Appellant had een loonvordering over een periode waarin hij geen loon ontving. Hij vroeg een WW-uitkering aan, inclusief achterstallig loon.

Het UWV weigerde de uitkering omdat de loonvordering buiten de maximale loonovernameperiode van dertien weken vóór de ontslagdatum viel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn loonvordering pas bij het faillissement in februari 2011 rechtsgeldig werd.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat het feit dat de loonvordering pas in februari 2011 rechtsgeldig werd, geen reden is om de vordering buiten de wettelijke termijn over te nemen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet tijdige loonvordering na faillissement van de werkgever.

Uitspraak

12/320 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 december 2011, 2011/960 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 29 augustus 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft P.J. Reeser hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad op 1 augustus 2012 het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 1 oktober 2006 als zelfstandig werkend kok in dienst getreden van [naam werkgever] (werkgever). Vanaf 16 januari 2008 heeft appellant zijn werkzaamheden wegens ziekte gestaakt. Bij besluiten van 11 januari 2010 heeft het Uwv de periode waarin appellant tijdens ziekte recht heeft op loon verlengd tot 8 maart 2011. De werkgever heeft appellant over de periode van 16 januari 2010 tot 11 maart 2010 geen loon betaald. Op 17 februari 2011 is het faillissement van de werkgever uitgesproken. De curator heeft de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en appellant bij brief van 22 februari 2011 opgezegd.
1.2. Appellant heeft op 26 februari 2011 bij het Uwv een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 10 maart 2011 heeft appellant toegelicht dat zijn aanvraag mede betrekking heeft op achterstallig loon over de periode van 16 januari 2010 tot 11 maart 2010. Bij besluit van 30 maart 2011 heeft het Uwv de uitkering over de periode van 16 januari 2010 tot en met 11 maart 2010 aan appellant geweigerd, omdat de vordering van appellant valt buiten de maximale loonovernameperiode van dertien weken voor de datum dat hem ontslag is aangezegd. Bij besluit van 26 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 maart 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
“6. Tussen partijen is niet in geschil dat het door eiser in dit geding geclaimde achterstallige loon buiten de in artikel 64 van Pro de WW gestelde termijn valt.
(…)
9. De rechtbank stelt vast dat de dienstbetrekking van eiser met zijn voormalig werkgever door de curator is opgezegd op 22 februari 2011 en dat er dus geen sprake was van een reeds beëindigde dienstbetrekking vóór het faillissement van de werkgever op 17 februari 2011. Dit betekent dat eiser niet in de termen van artikel 62 van Pro de WW valt en dat hij reeds daarom aan die bepaling geen recht op uitkering kan ontlenen. Overigens is ook in het geval artikel 62, eerste lid, van de WW wel van toepassing zou zijn, het recht op uitkering beperkt tot de in artikel 64 van Pro de WW genoemde termijnen.”
3. Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel van de rechtbank bestreden. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat zijn loonvordering pas in februari 2011 in rechte is komen vast te staan, namelijk bij faillietverklaring van zijn werkgever als gevolg waarvan de vordering niet langer wordt betwist. Pas vanaf dat moment staat volgens appellant vast dat hij recht heeft verkregen op betaling van loon in de onderhavige overnameperiode.
4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en onderschrijft de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de omstandigheid dat de loonvordering pas in februari 2011 in rechte zou zijn komen vast te staan geen grond vormt om de vordering, die buiten de in artikel 64 van Pro de WW genoemde termijn valt, over te nemen.
4.2. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2012.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) P. Boer
GdJ