ECLI:NL:CRVB:2012:BX6897

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/6799 WAO + 11/2996 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 WAOToeslagenwet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering en verrekening toeslag

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam die de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en de verrekening van een nabetaling op grond van de Toeslagenwet met dat terugvorderingsbedrag bevestigden.

Het UWV had de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 januari 2005 verlaagd van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% naar 25-35%. Ondanks deze verlaging betaalde het UWV op verzoek van appellant ten onrechte de hogere uitkering uit, wat leidde tot een terugvordering van €47.357,62 over de periode 2005-2008. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze terugvordering ongegrond.

Appellant voerde aan dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2006, waarin zijn beroep tegen het besluit tot verlaging gegrond werd verklaard, betekende dat zijn arbeidsongeschiktheid als 80-100% moest worden beschouwd. De Centrale Raad oordeelde echter dat de rechtbank in die uitspraak de rechtsgevolgen van het besluit tot verlaging in stand liet, waardoor de verlaging rechtsgeldig bleef.

De Raad bevestigde dat het UWV terecht tot terugvordering is overgegaan en dat alleen bij dringende redenen van terugvordering kan worden afgezien, welke appellant onvoldoende had gesteld. Ook de verrekening van de nabetaling op grond van de Toeslagenwet met het terugvorderingsbedrag werd door de Raad bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering en de verrekening van de nabetaling met het terugvorderingsbedrag.

Uitspraak

10/6799 WAO
11/2996 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2010, 09/3234 (aangevallen uitspraak 1) en 22 april 2011, 10/2769 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Een nadien namens appellant door [[M. ] ingesteld hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft [M. ] ingetrokken omdat appellant zelf al hoger beroep had ingesteld.
Het Uwv heeft afzonderlijke verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn ter - gevoegde - behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 27 juli 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Ook het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het Uwv met ingang van 28 januari 2005 de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verlaagd van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar 25 tot 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 september 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 maart 2006, 04/4585, heeft de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het besluit van 15 september 2004 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen geheel in stand gelaten. Er is geen hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld zodat deze in rechte is komen vast te staan.
2.1. Bij besluit van 25 maart 2009 heeft het Uwv een bedrag van € 47.357,62 aan onverschuldigd betaalde bruto WAO-uitkering over de periode van 28 januari 2005 tot en met 31 december 2008 van appellant teruggevorderd.
2.2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep tegen het besluit van 24 juni 2009 (bestreden besluit 1), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2009 ongegrond was verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 januari 2005 was verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%, dat het Uwv op verzoek van appellant ten onrechte de uitkering heeft uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en dat het Uwv op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht is om onverschuldigd betaalde uitkering terug te betalen. De rechtbank is niet gebleken dat het terugvorderingsbedrag onjuist is vastgesteld. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat appellant geen gronden heeft aangevoerd waaruit moet volgen dat het Uwv op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.
3.1. Bij besluit van 21 januari 2010 heeft het Uwv een recht van appellant op een nabetaling op grond van de Toeslagenwet over de periode van 28 januari 2005 tot en met 1 juni 2006 van € 3.680,66 verrekend met het terug te vorderen bedrag van € 47.357,62.
3.2. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep tegen het besluit van 10 mei 2010 (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2010 ongegrond was verklaard. Kort gezegd heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat appellant geen gronden heeft gericht tegen het verrekenen van de hem nabetaalde toeslag met het terug te vorderen bedrag.
4. Appellant heeft in het hoger beroep tegen beide aangevallen uitspraken in essentie dezelfde gronden aangevoerd. Kort samengevat heeft appellant betoogd dat hij in beroep is gegaan tegen het besluit van 22 juli 2004 en dat de rechtbank Amsterdam in haar uitspraak van 23 maart 2006 zijn beroep gegrond heeft verklaard en de bestreden beslissing heeft vernietigd. Volgens appellant kan er drie jaar na deze uitspraak geen sprake zijn van een vergissing. Appellant stelt nog steeds ziek te zijn en verzoekt de Raad zijn arbeidsongeschiktheid als 80 tot 100% te beschouwen en de aangevallen uitspraken 1 en 2 te vernietigen.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 1 met juistheid geoordeeld dat het Uwv terecht tot terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde WAO-uitkering is overgegaan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hierover, maakt deze tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe.
5.2. Alleen in geval van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO kan het Uwv gehouden zijn van terugvordering af te zien. Hiervan is slechts sprake bij zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de gevolgen van de terugvordering in de specifieke situatie van de betrokkene onaanvaardbaar zijn. Ook in hoger beroep heeft appellant hiertoe onvoldoende gesteld.
5.3. Voor zover appellant meent dat zijn WAO-uitkering met de uitspraak van 23 maart 2006 van de rechtbank Amsterdam berekend diende te blijven naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, miskent hij dat de rechtbank zijn beroep weliswaar gegrond heeft verklaard en het besluit van 15 september 2004 heeft vernietigd, maar dat de rechtbank ook de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand heeft gelaten. Dit betekent dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 januari 2005 is verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Dat het Uwv pas in 2008 heeft ontdekt dat de WAO-uitkering, overigens op verzoek van appellant zelf, bij vergissing toch is uitbetaald naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% maakt het voorgaande niet anders en levert evenmin een dringende reden als hiervoor bedoeld op.
5.4. Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep van appellant tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat deze uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Tegen de achtergrond van de overwegingen 5.1 tot en met 5.4, en daarbij in aanmerking genomen dat appellant ook in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd tegen het door het Uwv verrekenen van de hem nog toekomende toeslag met het terug te vorderen bedrag, dient ook aangevallen uitspraak 2 te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) G.J. van Gendt